Eiser, afkomstig uit Syrië, diende op 31 juli 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister moest uiterlijk binnen zes maanden beslissen, maar heeft dit niet gedaan. Hoewel aanvankelijk een verlenging van negen maanden werd toegepast vanwege een besluitmoratorium voor Syrië, is deze verlenging ingetrokken, waardoor de beslistermijn weer zes maanden bedraagt.
Eiser stelde de minister op 3 februari 2026 schriftelijk in gebreke en stelde daarna beroep in tegen het uitblijven van een beslissing. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor moet afnemen over de asielmotieven en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor elke dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt. Ook wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van € 467,-, vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde en het beperkte onderwerp van het geschil.