ECLI:NL:RBDHA:2026:802
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na ongegrondverklaring asielberoep
Verzoeker, een persoon van Gambiaanse nationaliteit, diende een opvolgende asielaanvraag in die door de minister van Asiel en Migratie op 4 september 2025 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Hiertegen stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening op 16 januari 2026, gelijktijdig met de behandeling van het beroep. Verzoeker en zijn gemachtigde waren niet aanwezig bij de zitting, terwijl de gemachtigde van de minister wel deelnam.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het bestreden besluit in stand gelaten. Hierdoor is een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep ongegrond is verklaard en het bestreden besluit in stand blijft.