Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 30 november 2023 ontvangen, maar de minister had niet binnen de wettelijke beslistermijn van 21 maanden een besluit genomen. Eiser stelde de minister op 28 oktober 2025 schriftelijk in gebreke en diende daarna beroep in, wat gegrond werd verklaard.
De rechtbank overweegt dat de minister binnen acht weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Deze termijn is verlengd ten opzichte van de standaard twee weken, vanwege het belang van zorgvuldige besluitvorming en het feit dat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven. Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor het geval de minister niet binnen deze termijn beslist.
Verder wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van € 467,-, omdat eiser een professionele gemachtigde inschakelde en de zaak alleen over de overschrijding van de beslistermijn ging. De uitspraak is gedaan door rechter A. Skerka en griffier C.A.A.W. van der Heijden en is op 20 maart 2026 in het openbaar bekendgemaakt.