Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8149

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
C/09/690211/HA ZA 25-719
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:46 BWArt. 68a Overgangswet Nieuw BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg testament over kleinkinderen van partner als erfgenamen

Deze civiele zaak betreft de uitleg van een testament van een overleden erflaatster, waarbij onduidelijkheid bestond over de vraag wie precies als erfgenamen waren bedoeld met de zinsnede 'de kleinkinderen van mijn partner'. De erflaatster had een affectieve relatie met haar partner, die twee zoons had uit verschillende relaties, waarvan de ene zoon kinderen had die eiseressen zijn in deze procedure, en de andere zoon kinderen die gedaagden zijn.

De rechtbank heeft onderzocht onder welke omstandigheden het testament is opgesteld en welke verhoudingen de erflaatster kennelijk wilde regelen. Het testament dateert van 2001, kort voor de geboorte van de tweede kleindochter, en de erflaatster had geen contact met de andere kleinkinderen van haar partner. Verklaringen van getuigen en het verslag van een uitvaartondernemer bevestigen dat de erflaatster alleen de twee kleindochters als erfgenamen beschouwde.

De rechtbank concludeert dat de erflaatster met de term 'de kleinkinderen van mijn partner' in het testament alleen de twee kleindochters heeft bedoeld en dat zij daarmee de enige erfgenamen zijn. De vordering van eiseressen wordt toegewezen en de proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het testament wordt uitgelegd dat alleen de twee kleindochters als erfgenamen zijn aangewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
zaak- / rolnummer: C/09/690211 / HA ZA 25-719
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van

1.[eiseres 1] te [woonplaats 1] ,

2. [eiseres 2]te [woonplaats 2] ,
eiseressen,
advocaat: mr. I.J. Janssens te Den Haag,
tegen

1.[gedaagde 1] te [woonplaats 3] ,

in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ,
2. [gedaagde 2]te [woonplaats 3] ,
gedaagden,
advocaat: mr. G.C.L. van de Corput te Breda.
Partijen zullen hierna ‘ [eiseres 1] , ‘ [eiseres 2] ’, ‘ [gedaagde 1] ’, ‘ [minderjarige 1] ’, ‘ [minderjarige 2] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’ worden genoemd.

1.Waar gaat deze zaak over?

Deze zaak gaat over de uitleg van een testament. Tussen partijen is in geschil hoe de zinsnede ‘
de kleinkinderen van mijn partner’ in het testament van erflaatster moet worden uitgelegd. Het antwoord op deze vraag is bepalend voor de vraag wie erfgenamen zijn in de nalatenschap van erflaatster.
De rechtbank zal hierna vaststellen hoe het testament moet worden uitgelegd en komt tot de conclusie dat erflaatster met
‘de kleinkinderen van mijn partner’[eiseres 1] en [eiseres 2] heeft bedoeld. Dat betekent dat [eiseres 1] en [eiseres 2] enig erfgenamen van erflaatster zijn.
De gevorderde verklaring van recht die op dat uitgangspunt is gebaseerd zal worden toegewezen.

2.De procedure

2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 13 augustus 2025, met producties 1 tot en met 9;
- de conclusie van antwoord van 8 oktober 2025, met productie 1;
- het tussenvonnis van 12 november 2025, waarbij een datum voor de mondelinge behandeling is bepaald.
2.2.
Op 3 februari 2026 is de mondelinge behandeling gehouden. De zaak is besproken met partijen en hun advocaten. De griffier heeft aantekeningen gemaakt die aan het griffiedossier zijn toegevoegd.

3.De feiten

3.1.
Op 24 augustus 2024 is [erflaatster] (hierna: erflaatster) overleden. Erflaatster woonde vanaf 1986 samen met [naam 1] (hierna: [naam 1] ). Hij is op [dag 1] 2022 overleden.
3.2.
[naam 1] is in het verleden korte tijd (van [dag 2] 1968 tot [dag 3] 1968) gehuwd geweest met [naam 2] (hierna: [naam 2] ). Kort na ontbinding van dit huwelijk, namelijk op [geboortedatum 1] 1968, is [naam 3] (hierna: [naam 3] ) geboren. [naam 3] is erkend als zoon van [naam 1] .
3.3.
[naam 1] is op [dag 4] 1969 gehuwd met [naam 4] . Uit dit huwelijk is op
[geboortedatum 2] 1970 [naam 5] geboren. Het huwelijk van [naam 1] en [naam 4] is op [dag 5] 1984 door echtscheiding ontbonden.
3.4.
Van 1986 tot aan zijn overlijden in 2022 had [naam 1] een affectieve relatie met erflaatster. Zij waren niet gehuwd.
3.5.
[naam 5] is gehuwd met [naam 6] . Uit hun huwelijk zijn [eiseres 1] (op [geboortedatum 3] 1996) en [eiseres 2] (op [geboortedatum 4] 2001), eiseressen in deze procedure, geboren. [eiseres 1] en [eiseres 2] zijn daarmee kleinkinderen van [naam 1] . [naam 1] en erflaatster hadden gedurende hun leven een nauwe en goede relatie met [naam 5] en [naam 6] en met [eiseres 1] en [eiseres 2] .
3.6.
[naam 3] heeft een affectieve relatie gehad met [gedaagde 1] . Uit die relatie zijn [gedaagde 2] (op [geboortedatum 5] 2006), [minderjarige 1] (op [geboortedatum 6] 2018) en [minderjarige 2] (op [geboortedatum 7] 2014) geboren. [gedaagde 2] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn daarmee ook kleinkinderen van [naam 1] . [naam 1] en erflaatster hebben gedurende hun leven geen contact gehad met [naam 3] , [gedaagde 1] en met [gedaagde 2] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
3.7.
Erflaatster heeft op 29 november 2001 een testament laten opmaken. In haar testament is als volgt bepaald:
“II. ERFSTELLING
a. Ik benoem tot mijn enig erfgenaam: mijn partner de heer [naam 1]
[naam 1] . De beschikking ten behoeve van mijn genoemde partner maak ik alleen
voor het geval hij mij ten minste drie maanden overleeft.
b. Voor het geval mijn genoemde partner mijn erfgenaam niet is, benoem ik tot
mijn erfgenamen, tezamen en voor gelijke delen en met overeenkomstige
toepassing van de wettelijke plaatsvervulling, de kleinkinderen van mijn partner.”
3.8.
In 2024 is erflaatster ernstig ziek geworden.
3.9.
Op 20 augustus 2024 heeft erflaatster een voorgesprek gehad met de uitvaartondernemer om haar uitvaartwensen te bespreken. In het verslag van deze voorbespreking is onder meer het volgende vermeld:
“(…) Op mijn vraag of zij naast haar uitvaartwensen ook alle overige wensen mbt erfenis heeft geregeld en vastgelegd, is de vraag bevestigend: er is een testament. Hierin staan de beide dochters van [naam 5] en [naam 6] als erfgenamen;(…)”
3.10.
Op 24 augustus 2024 is erflaatster overleden. [naam 5] heeft na het overlijden van erflaatster contact opgenomen met notariskantoor Caminada Notarissen (hierna: de notaris) om het testament van erflaatster op te vragen. [naam 5] heeft de notaris daarnaast verzocht een verklaring van erfrecht op te stellen. Na dit verzoek heeft hij van de notaris vernomen dat uit diens onderzoek naar de afstammelingen van [naam 1] is gebleken dat [naam 1] nog een andere zoon heeft, te weten [naam 3] , die op zijn beurt ook kinderen heeft.
3.11.
Op 21 juli 2025 heeft de notaris een voorlopige verklaring van erfrecht opgesteld. De conclusie van de notaris ontbreekt daarin, vanwege het onderhavige geschil.

4.Het geschil

4.1.
[eiseres 1] en [eiseres 2] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat het testament van erflaatster zo moet worden uitgelegd, dat zij als enige erfgenamen van erflaatster moeten worden aangemerkt.
4.2.
[eiseres 1] en [eiseres 2] beroepen zich op artikel 4:46 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens [eiseres 1] en [eiseres 2] moet het testament zo worden uitgelegd dat erflaatster met ‘
de kleinkinderen van mijn partner’ alleen [eiseres 1] en [eiseres 2] heeft bedoeld. Het testament is opgesteld na de geboorte van [eiseres 1] en kort vóór de geboorte van [eiseres 2] . Erflaatster heeft [eiseres 1] en [eiseres 2] tot haar erfgenamen benoemd, omdat [eiseres 1] en [eiseres 2] met [naam 1] en erflaatster een nauwe relatie hadden en erflaatster [eiseres 1] en [eiseres 2] als haar eigen kleinkinderen beschouwde. Erflaatster wist niet van het bestaan van de kinderen van [naam 3] en zij had met hen geen enkele band.
4.3.
[gedaagde 1] c.s. voeren verweer dat strekt tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [eiseres 1] en [eiseres 2] in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente.
4.4.
[gedaagde 1] c.s. betogen dat met
‘de kleinkinderen van mijn partner’in het testament van erflaatster alle kleinkinderen van [naam 1] worden bedoeld, en dus niet alleen [eiseres 1] en [eiseres 2] maar ook [gedaagde 2] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Volgens [gedaagde 1] c.s. is de formulering in het testament niet voor meerdere uitleg vatbaar en laat deze formulering geen ruimte voor twijfel. De keuze van erflaatster voor deze formulering duidt op een bewuste wil om alle kleinkinderen uit beide familietakken te omvatten. De gestelde onbekendheid van erflaatster met het bestaan van de kinderen van [naam 3] is onvoldoende bewezen en is geen criterium voor de uitleg van het testament op grond van artikel 4:46 BW Pro, aldus [gedaagde 1] c.s.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Uitleg van het testament aan de hand van artikel 4:46 BW Pro

5.1.
Het testament van erflaatster is verleden op 29 november 2001. Erflaatster is overleden na de inwerkingtreding van het huidig erfrecht op 1 januari 2003. De maatstaf voor de uitleg van een testament staat in artikel 4:46 BW Pro, dat op grond van artikel 68a Overgangswet Nieuw BW onmiddellijke werking heeft. [1]
5.2.
Op grond van artikel 4:46 lid 1 BW Pro moet bij de uitleg van een testament worden gelet op de verhoudingen die het testament kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat bij het vaststellen van de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt, feiten en omstandigheden van na het opmaken van het testament van belang kunnen zijn, omdat daaraan bewijs kan worden ontleend van een omstandigheid waaronder het testament is gemaakt. Ten tijde van het opmaken van het testament bij de erflater bestaande verwachtingen over toekomstige gebeurtenissen zullen in aanmerking kunnen komen als omstandigheid waaronder het testament is gemaakt. Verwachtingen van de erflater over de toekomst kunnen ook van belang zijn bij het vaststellen van de verhoudingen die de erflater met het testament kennelijk wenst te regelen. Voor de vaststelling van de verhoudingen die de erflater met het testament kennelijk wenst te regelen, kan mede acht geslagen worden op verklaringen van getuigen omtrent hetgeen de erflater heeft beoogd. [2]
5.3.
De rechtbank zal aan de hand van de hiervoor beschreven maatstaf uit artikel 4:46 lid 1 BW Pro beoordelen hoe de woorden
‘de kleinkinderen van mijn partner’in het testament moeten worden uitgelegd. Hierbij gaat het dus niet om een uitsluitend grammaticale uitleg van de tekst van het testament, zoals [gedaagde 1] c.s. lijken te betogen. Ook als de tekst van het testament op het eerste gezicht volstrekt duidelijk is, moet rekening worden gehouden met de verhoudingen die erflaatster in haar testament kennelijk wenste te regelen en met de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt. Met andere woorden: beoordeeld moet worden wat erflaatster voor ogen stond op het moment waarop zij het testament liet opstellen.
5.4.
Vaststaat dat erflaatster vanaf 1986 een affectieve relatie met [naam 1] heeft gehad. [naam 1] had een zoon, [naam 5] , waarmee zowel [naam 1] als erflaatster goed contact hadden. [naam 1] had uit een eerder huwelijk met [naam 2] nog een andere zoon, [naam 3] . Tussen partijen is niet in geschil dat er geen enkel contact was tussen [naam 1] en [naam 3] . [gedaagde 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat [naam 3] (haar ex-partner) in de veronderstelling verkeerde dat zijn biologische vader, [naam 1] , was overleden toen hij vijf jaar was. Volgens [gedaagde 1] zou [naam 3] in 2022 via een brief van de notaris hebben vernomen dat [naam 1] dat jaar (2022) pas is overleden.
5.5.
In 1996 is [eiseres 1] geboren. Zij is het eerste kleinkind van [naam 1] . [eiseres 1] heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat erflaatster als een oma voor haar was met wie zij een hele sterke band en goed contact had. Op 29 november 2001, kort vóór de geboorte van [eiseres 2] ( [geboortedatum 4] 2001), heeft erflaatster haar testament laten opmaken. Volgens [eiseres 1] en [eiseres 2] was de aanstaande geboorte van het tweede kleinkind ( [eiseres 2] ) aanleiding voor erflaatster om haar testament te laten opmaken. [eiseres 1] heeft hierover tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat erflaatster alles goed geregeld wilde hebben voor het geval er iets met haar zou gebeuren. [eiseres 1] heeft verklaard dat erflaatster destijds aan haar moeder heeft gevraagd:
“er komen toch niet meer kinderen hè?”.Haar moeder zou daarop hebben geantwoord dat het ‘klaar’ was na de geboorte van hun tweede kind. Erflaatster heeft volgens [eiseres 1] en [eiseres 2] geen namen van de kleinkinderen van [naam 1] in het testament opgenomen, omdat [eiseres 2] ten tijde van het opmaken van het testament nog niet geboren was en haar naar naam dus nog niet bekend was. Het voorgaande is door [gedaagde 1] c.s. niet betwist en staat daarmee dus vast.
5.6.
Onder de hiervoor genoemde omstandigheden ligt het naar het oordeel van de rechtbank in de rede dat erflaatster in het testament alleen de verhoudingen ten opzichte van de twee kinderen van [naam 5] , te weten [eiseres 1] en [eiseres 2] , heeft willen regelen en dat zij heeft beoogd om hen tot erfgenamen te benoemen voor het geval [naam 1] op het moment van haar overlijden niet meer in leven zou zijn. Dat erflaatster [eiseres 1] en [eiseres 2] daarbij niet met naam en toenaam heeft genoemd en in haar testament ‘
de kleinkinderen van mijn partner’ tot erfgenamen heeft benoemd, lijkt vooral te zijn ingegeven door het feit dat [eiseres 2] op dat moment nog niet was geboren.
5.7.
Dat het de bedoeling van erflaatster is geweest om [eiseres 1] en [eiseres 2] tot haar erfgenamen te benoemen en dat zij kennelijk tot haar overlijden ook ervan uit is gegaan dat [eiseres 1] en [eiseres 2] haar enige erfgenamen waren, wordt bovendien bevestigd door het gespreksverslag van de uitvaartondernemer die vier dagen vóór het overlijden van erflaatster, op 20 augustus 2024, een gesprek met erflaatster heeft gehad. Hieruit volgt dat erflaatster, op de vraag van de uitvaartondernemer of zij haar wensen met betrekking tot haar erfenis heeft vastgelegd, heeft laten weten dat zij een testament heeft waarin de beide dochters van [naam 5] en [naam 6] als erfgenamen staan.
5.8.
Het voorgaande brengt mee dat uit de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt en de verhoudingen die erflaatster daarin kennelijk wenste te regelen volgt dat in het testament van erflaatster met
‘de kleinkinderen van mijn partner’[eiseres 1] en [eiseres 2] zijn bedoeld. Dat betekent dat [eiseres 1] en [eiseres 2] enig erfgenamen van erflaatster zijn. De door hen gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen.
Proceskosten
5.9.
Vanwege de aard van het geschil en de verhoudingen tussen partijen zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Iedere partij draagt dus de eigen kosten.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verklaart voor recht dat het testament van erflaatster zo moet worden uitgelegd dat [eiseres 1] en [eiseres 2] als enig erfgenamen in het testament van erflaatster moeten worden aangemerkt en dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [gedaagde 2] niet als erfgenamen van erflaatster worden aangemerkt;
6.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door L. Amperse en in het openbaar uitgesproken, bijgestaan door
mr. C.E.M.A. Jol, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.

Voetnoten

1.HR 18 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9581 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2011:BO9581), rov. 3.3
2.HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1531.