ECLI:NL:RBDHA:2026:8156
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid asielaanvraag wegens internationale bescherming in Roemenië
Eiser diende op 2 april 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister verklaarde deze aanvraag op 22 december 2025 niet-ontvankelijk omdat eiser internationale bescherming geniet in Roemenië sinds 12 november 2018. Eiser stelde beroep in tegen deze beslissing.
De rechtbank behandelde het beroep op 30 maart 2026, waarbij ook de beroepen van eisers ouders en zus werden behandeld. De minister stelde dat eiser door zijn status in Roemenië een zodanige band met dat land heeft dat het redelijk is dat hij daar terugkeert. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat Roemenië zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Hij heeft dezelfde rechten als Roemeense burgers en het is aan hem om die rechten te effectueren.
De rechtbank constateerde dat de beroepsgronden van eiser identiek zijn aan die van zijn ouders, wier beroepen reeds ongegrond zijn verklaard. Daarom verklaart de rechtbank ook het beroep van eiser ongegrond en handhaaft het bestreden besluit. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
De uitspraak is gedaan door rechter M. Munsterman en griffier M.C. Drenten - Boon. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag.