Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8174

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
NL26.18907
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:81 lid 1 AwbArt. 8:83 lid 4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen indiening aanvraag laissez passer door minister

Verzoeker heeft op 25 februari 2026 een asielaanvraag ingediend, die op 11 maart 2026 is afgewezen. Tegen deze afwijzing is beroep ingesteld. De minister maakte op 31 maart 2026 bekend dat hij op 7 april 2026 een aanvraag voor een laissez passer zal indienen bij de autoriteiten van het vermoedelijke land van herkomst van verzoeker. Verzoeker verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om deze indiening te voorkomen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van spoedeisend belang vanwege de geplande indieningsdatum. De minister mag voorbereidende handelingen verrichten gericht op terugkeer, waaronder het indienen van een laissez passer aanvraag, mits dit niet in strijd is met het non-refoulementbeginsel. Verzoeker stelde dat het verstrekken van persoonsgegevens aan het vermoedelijke land van herkomst hem in problemen kan brengen vanwege een openstaande strafzaak uit 2013.

De voorzieningenrechter concludeerde dat de persoonsgegevens niet asielgerelateerd zijn en geen schadelijke strekking hebben. Het risico dat autoriteiten verzoeker koppelen aan de strafzaak is onvoldoende om de indiening te verbieden. Verzoeker had bovendien de mogelijkheid om samen met de minister de aanvraag in te vullen, wat hij weigerde. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de indiening van de aanvraag voor een laissez passer is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18907

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker,

[V-nummer]
(gemachtigde: mr. C.E. Stassen-Buijs),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. Ch.R Vink).

Procesverloop

1. De minister heeft op 31 maart 2026 kenbaar gemaakt dat hij op 7 april 2026 een aanvraag voor een laissez passer zal indienen bij de autoriteiten van het vermoedelijke land van herkomst van verzoeker.
1.1.
Verzoeker heeft op 3 april 2026 verzocht een voorlopige voorziening te treffen hangende het beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag (zaaknummer NL26.15191). Verzoeker wil de indiening van de lp-aanvraag op 7 april 2026 voorkomen. De minister heeft een verweerschrift ingediend op het verzoek.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft verzoeker op 4 april 2026 verzocht om een stuk waar hij in zijn gronden naar verwijst [1] over te leggen. Verzoeker heeft het stuk en daarbij een reactie op het verweerschrift ingediend. De minister heeft vervolgens een reactie ingediend.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten. De beslissing is telefonisch aan partijen medegedeeld op 5 april 2026.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat de zaak over?
2. Verzoeker heeft op 25 februari 2026 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft dezelfde dag verzoeker een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. [2] Zijn asielaanvraag is op 11 maart 2026 afgewezen. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen die afwijzing. De minister heeft op 31 maart 2026 kenbaar gemaakt dat hij – nog tijdens de beroepsprocedure – voornemens is om op 7 april 2026 een aanvraag voor een laissez passer in te dienen bij de autoriteiten van het vermoedelijke land van herkomst van verzoeker. Verzoeker wil dit voorkomen en verzoekt de voorzieningenrechter daarom de indiening te verbieden.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
3. De voorzieningenrechter kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist en kan als partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad ook uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd voor een zitting. [3] Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechter in de bodemprocedure niet.
Spoedeisend belang
4. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om spoedeisend belang aan te nemen, omdat de indiening van de lp-aanvraag op 7 april 2026 zal plaatsvinden.
Toetsingskader
5. De minister mag voorbereidende handelingen verrichten die zijn gericht op de terugkeer van verzoeker nog voordat de rechter heeft beslist op zijn beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Het indienen van een lp-aanvraag bij de autoriteiten van het vermoedelijke land van herkomst van verzoeker is zo’n voorbereidende handeling. De minister moet wel waarborgen dat deze handeling niet in strijd is met het beginsel van non-refoulement, door geen persoonsgegevens te verstrekken die asielgerelateerd zijn of anderszins een schadelijke strekking hebben. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 november 2025 [4] volgt dat verzoeker een rechtsmiddel kan instellen om te voorkomen dat de minister de lp-aanvraag indient bij de autoriteiten van het vermoedelijke land van herkomst.
Standpunten van partijen
6. Verzoeker voert aan dat indiening van de lp-aanvraag in strijd is met het beginsel van non-refoulement, omdat hij door het verstrekken van zijn persoonsgegevens aan het vermoedelijke land van herkomst van verzoeker in de problemen zal komen. Hij heeft een oproeping van de politie uit 2013 overgelegd. Verzoeker heeft niet voldaan aan de oproep, wat volgens hem een strafbaar feit is. De autoriteiten kunnen deze strafzaak koppelen aan zijn personalia.
7. Volgens de minister zijn de gebruikte persoonsgegevens in het geval van verzoeker niet asielgerelateerd en hebben ook anderszins geen schadelijke strekking.
Oordeel
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Het is in beginsel toegestaan dat de minister hangende beroep in het kader van een lp-aanvraag persoonsgegevens van een vreemdeling verstrekt aan de autoriteiten van zijn vermoedelijke land van herkomst om hen in staat te stellen de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling vast te stellen. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat de persoonsgegevens die de minister wil verstrekken aan de autoriteiten asielgerelateerd zijn of anderszins een schadelijke strekking hebben. Dat de autoriteiten verzoeker kunnen koppelen aan de (gestelde) lopende strafzaak uit 2013, wat hier verder ook van zij, is daartoe onvoldoende. De minister heeft verzoeker bovendien in de gelegenheid gesteld om de lp-aanvraag samen in te vullen, waardoor verzoeker van te voren heeft kunnen controleren welke gegevens met de autoriteiten wordt gedeeld. Dat verzoeker heeft geweigerd samen de aanvraag in te vullen doet daar niets aan af. De voorzieningenrechter benadrukt dat verzoeker nog steeds de status heeft van een persoon die verzoekt om internationale bescherming.
8.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.L. Hol, griffier. De beslissing is telefonisch aan partijen medegedeeld op 5 april 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Een oproep uit 2013 van de politie van het vermoedelijke land van herkomst van verzoeker.
2.Op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 8:83, vierde lid, van de Awb.