ECLI:NL:RBDHA:2026:8174
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen indiening aanvraag laissez passer door minister
Verzoeker heeft op 25 februari 2026 een asielaanvraag ingediend, die op 11 maart 2026 is afgewezen. Tegen deze afwijzing is beroep ingesteld. De minister maakte op 31 maart 2026 bekend dat hij op 7 april 2026 een aanvraag voor een laissez passer zal indienen bij de autoriteiten van het vermoedelijke land van herkomst van verzoeker. Verzoeker verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om deze indiening te voorkomen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van spoedeisend belang vanwege de geplande indieningsdatum. De minister mag voorbereidende handelingen verrichten gericht op terugkeer, waaronder het indienen van een laissez passer aanvraag, mits dit niet in strijd is met het non-refoulementbeginsel. Verzoeker stelde dat het verstrekken van persoonsgegevens aan het vermoedelijke land van herkomst hem in problemen kan brengen vanwege een openstaande strafzaak uit 2013.
De voorzieningenrechter concludeerde dat de persoonsgegevens niet asielgerelateerd zijn en geen schadelijke strekking hebben. Het risico dat autoriteiten verzoeker koppelen aan de strafzaak is onvoldoende om de indiening te verbieden. Verzoeker had bovendien de mogelijkheid om samen met de minister de aanvraag in te vullen, wat hij weigerde. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de indiening van de aanvraag voor een laissez passer is afgewezen.