Uitspraak
[naam 1], eiser 1,V-nummer: [v-nummer],
[naam 2], eiser 2,V-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. F.W. Verbaas),
Rechtbank Den Haag
Eisers hebben bij besluiten van 14 januari 2026 een afwijzing ontvangen op hun aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Tegen deze besluiten is beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag. Op 7 april 2026 zijn de zaken gezamenlijk behandeld, waarbij eisers en hun gemachtigde niet zijn verschenen. De minister werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
De minister heeft de rechtbank geïnformeerd dat eisers op 18 en 19 januari 2026 met onbekende bestemming zijn vertrokken en op 20 januari 2026 in Zwitserland zijn aangetroffen. De gemachtigde van eisers heeft laten weten geen contact meer met hen te hebben en hun verblijfplaats is onbekend. De rechtbank heeft overwogen dat volgens vaste rechtspraak het vertrek met onbekende bestemming zonder mededeling aan de minister impliceert dat eisers geen prijs meer stellen op bescherming in Nederland.
Omdat eisers geen contact meer onderhouden met hun gemachtigde en geen concrete aanwijzingen zijn dat zij nog belang hebben bij de procedure, concludeert de rechtbank dat er geen procesbelang meer is. Daarom verklaart de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk wegens vertrek met onbekende bestemming en ontbreken van procesbelang.