ECLI:NL:RBDHA:2026:8242

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
NL26.3342 en NL26.3343
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens vertrek met onbekende bestemming

Eisers hebben bij besluiten van 14 januari 2026 een afwijzing ontvangen op hun aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Tegen deze besluiten is beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag. Op 7 april 2026 zijn de zaken gezamenlijk behandeld, waarbij eisers en hun gemachtigde niet zijn verschenen. De minister werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

De minister heeft de rechtbank geïnformeerd dat eisers op 18 en 19 januari 2026 met onbekende bestemming zijn vertrokken en op 20 januari 2026 in Zwitserland zijn aangetroffen. De gemachtigde van eisers heeft laten weten geen contact meer met hen te hebben en hun verblijfplaats is onbekend. De rechtbank heeft overwogen dat volgens vaste rechtspraak het vertrek met onbekende bestemming zonder mededeling aan de minister impliceert dat eisers geen prijs meer stellen op bescherming in Nederland.

Omdat eisers geen contact meer onderhouden met hun gemachtigde en geen concrete aanwijzingen zijn dat zij nog belang hebben bij de procedure, concludeert de rechtbank dat er geen procesbelang meer is. Daarom verklaart de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk wegens vertrek met onbekende bestemming en ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.3342 en NL26.3343
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2026 en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam 1], eiser 1,V-nummer: [v-nummer],

[naam 2], eiser 2,V-nummer: [v-nummer],

gezamenlijk: eisers,
(gemachtigde: mr. F.W. Verbaas),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).

Inleiding

1. Bij besluiten van 14 januari 2026 (de bestreden besluiten) heeft de minister de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.
1.1.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen [1] op 7 april 2026 gezamenlijk op zitting behandeld. Eisers en hun gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
1.3.
Na afloop van de behandeling van de zaken op de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.

Overwegingen

2. De minister heeft de rechtbank op 24 februari 2026 bericht dat eisers op respectievelijk 18 en 19 januari 2026 (geregistreerd op 27 januari 2026) met onbekende bestemming zijn vertrokken. De minister heeft zich daarbij gebaseerd op informatie van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). Op de zitting voegt de gemachtigde van de minister toe dat eisers op 20 januari 2026 in Zwitserland zijn aangetroffen.
2.1.
De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of eisers nog procesbelang hebben bij het beroep.
2.2.
De gemachtigde van eisers heeft op 11 maart 2026 aan de rechtbank laten weten dat hij geen contact meer heeft met eisers. Het is onbekend waar eisers nu verblijven, maar het is mogelijk dat ze nog zullen terugkeren en ze zijn minderjarig. Dit maakt dat wel sprake is van procesbelang.
2.3.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [2] blijkt het volgende. [3] Wanneer een vreemdeling, die een asielaanvraag heeft ingediend, met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, kan er in principe vanuit wordt gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem in eerste instantie gezochte bescherming in Nederland. Dit is alleen anders als een vreemdeling nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming.
2.4.
In dit geval hebben eisers de opvang verlaten, de minister en de gemachtigde niet op de hoogte gesteld van hun verblijfsplaats en hebben zij ook geen contact meer met hun gemachtigde. Dit maakt dat de rechtbank ervan uitgaat dat eisers geen prijs meer stellen op bescherming in Nederland. Het is de rechtbank verder ook niet gebleken van concrete aanknopingspunten om hiervan af te wijken. Daarom is er geen belang meer bij een inhoudelijke behandeling van het beroep en is het beroep niet-ontvankelijk.
2.5.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2026 door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.NL26.3342 en NL26.3343.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.Bijvoorbeeld de uitspraken van 22 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:579) en van 1 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2662).