ECLI:NL:RBDHA:2026:8251

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
NL26.16955
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 96 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenzaak afgewezen

Eiser, een Algerijnse nationaliteit dragende vreemdeling, is sinds 5 januari 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep getoetst vanaf 11 februari 2026, het moment waarop het eerdere onderzoek werd gesloten. Eiser stelde dat er geen zicht is op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn, omdat de Algerijnse autoriteiten niet reageren op de aanvraag voor een laissez-passer. Verweerder heeft echter aangetoond dat de aanvraag is ingediend en dat er geen aanwijzingen zijn dat de lp niet zal worden afgegeven.

De rechtbank oordeelt dat het belang van verweerder om eiser uit te zetten zwaarder weegt dan het belang van eiser om in vrijheid te worden gesteld. Er zijn geen omstandigheden die het voortduren van de bewaring onrechtmatig maken. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16955

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Procesverloop

Verweerder heeft op 5 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 2 april 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1989 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 11 februari 2026 (in de zaak NL26.5671) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 11 februari 2026.
4. Eiser voert aan dat er geen zicht is op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn. Verweerder heeft op 31 oktober 2025 een aanvraag voor een laissez-passer (lp) ingediend bij de Algerijnse autoriteiten en naar aanleiding daarvan regelmatig rappels gestuurd. Eiser zit inmiddels drie maanden in bewaring en de Algerijnse autoriteiten hebben tot op heden niet gereageerd. Eiser verwacht niet dat zij wel op toekomstige rappels zullen reageren. Verweerder dient in het kader van de belangenafweging de bewaring van eiser op te heffen.
5. De rechtbank stelt voorop dat in het algemeen het zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt. [1] Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten te kennen hebben gegeven dat voor eiser geen lp zal worden afgegeven. Eiser heeft verder niets aangevoerd waaruit zou volgen dat het zicht op uitzetting naar Algerije in zijn algemeenheid ontbreekt. Verweerder moet daarnaast enige tijd worden gegund om de lp-aanvraag af te wachten. Eiser heeft geen andere omstandigheden aangevoerd die maken dat de bewaring onrechtmatig voortduurt. Om die reden prevaleert het belang van verweerder om eiser uit te zetten boven het belang van eiser om in vrijheid te worden gesteld. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
6. Ook de ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment in de te beoordelen periode onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 8 april 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2024, ECLI:N:RVS:2024:1891, bevestigd met de uitspraak van 27 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2025:722.