ECLI:NL:RBDHA:2026:829

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
NL26.1154
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervolgberoep vreemdelingenbewaring met betrekking tot zicht op uitzetting en voortvarend handelen

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in een vervolgberoep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring van eiser, die de Marokkaanse nationaliteit heeft. Eiser is op 21 november 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft bepaald dat een zitting niet nodig was en het onderzoek op 15 januari 2026 gesloten.

Eiser stelt dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn, omdat er geen inhoudelijke reactie is ontvangen op de aanvraag voor een laissez-passer (lp) bij de Marokkaanse autoriteiten. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat er in het algemeen zicht op uitzetting naar Marokko bestaat en dat het enkele tijdsverloop sinds de aanvraag niet voldoende is om te concluderen dat dit in het geval van eiser anders is. De rechtbank heeft ook overwogen dat de acties van verweerder, zoals het versturen van rappels en het voeren van vertrekgesprekken, voldoende voortvarend zijn.

Eiser heeft verder aangevoerd dat zijn belang bij invrijheidsstelling zwaarder weegt dan het belang van de staat bij voortduring van de bewaring. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die een andere beslissing rechtvaardigen dan in de eerdere uitspraak van 9 december 2025. Uiteindelijk heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.1154

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 21 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 15 januari 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1991 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 9 december 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 3 december 2025, rechtmatig was. [2] Daarom ziet de beoordeling nu op het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 3 december 2025.
4. Eiser voert aan dat geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Op 24 november 2025 is een aanvraag voor een lp ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten, maar daarop is tot op heden geen inhoudelijke reactie ontvangen. Er is geen aanwijzing dat binnen een afzienbare termijn een lp zal worden verstrekt. Ook blijkt uit het voortgangsrapport dat er geen presentatie bij de Marokkaanse autoriteiten heeft plaatsgevonden, dat er geen vlucht is aangevraagd en dat er geen uitzettingsdatum bekend is. De enkele veronderstelling dat Marokko in het algemeen meewerkt aan gedwongen terugkeer is onvoldoende voor de conclusie dat sprake is van zicht op uitzetting. Daarnaast mag Nederland de in Spanje lopende verblijfsprocedure van eiser, waaruit mogelijk rechtmatig verblijf ontstaat, niet frustreren.
5. Zoals de rechtbank reeds in de uitspraak van 9 december 2025 heeft overwogen, bestaat in zijn algemeenheid zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar in het geval van eiser anders over te oordelen. Het enkele tijdsverloop sinds de verzending van de lp-aanvraag op 25 november 2025 is onvoldoende voor de conclusie dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn in het individuele geval van eiser ontbreekt. Niet is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten te kennen hebben gegeven dat zij voor eiser geen lp zullen afgeven. Over de omstandigheid dat eiser in Spanje een lopende procedure heeft, heeft de rechtbank in de uitspraak van 9 december 2025 reeds geoordeeld dat dit niet maakt dat eiser niet uitgezet kan worden naar Marokko.
6. Eiser voert daarnaast aan dat verweerder niet voortvarend handelt. Verweerder heeft slechts standaardrappels verstuurd, zonder aanvullende acties te ondernemen of het traject te intensiveren. De twee vertrekgesprekken die zijn gevoerd zijn onvoldoende, nu deze niet leiden tot concrete vervolgstappen.
7. Uit het voortgangsrapport blijkt dat verweerder sinds 3 december 2025 twee keer heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten en een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Anders dan eiser meent, werkt verweerder daarmee voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser.
8. Eiser voert verder aan dat zijn belang bij invrijheidsstelling zwaarder weegt dan het belang van verweerder bij voortduring van de bewaring. Verweerder heeft ten onrechte niet onderzocht of een minder dwingende maatregel kan worden toegepast. Eiser wijst erop dat hij wil uitreizen. Eiser heeft daarnaast een vast adres en een partnerrelatie met een EU-burger.
9. De beroepsgrond dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat wat eiser in dit kader heeft aangevoerd nagenoeg hetzelfde is als wat hij in het vorige beroep heeft aangevoerd. De rechtbank verwijst om die reden naar wat zij daarover heeft overwogen in haar uitspraak van 9 december 2025, rechtsoverweging 6. Niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden op grond waarvan thans anders moet worden geoordeeld.
10. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te beoordelen periode op enig moment onrechtmatig was.
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 20 januari 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.