Eiser is op 7 maart 2026 opgehouden en vervolgens in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder verlengde de ophouding met 48 uur vanwege nader onderzoek naar de verblijfsrechtelijke positie van eiser, wat door de rechtbank als terecht werd beoordeeld.
Eiser stelde dat de verlenging geen doel had gediend en dat hij niet schriftelijk in een taal die hij verstaat was geïnformeerd over de verlenging en de rechtsmiddelen, wat een schending van de informatieplicht zou zijn. De rechtbank oordeelde dat deze informatieplicht weliswaar niet volledig was nageleefd, maar dat dit gebrek niet leidde tot onrechtmatigheid van de maatregel omdat eiser niet in zijn belangen was geschaad en effectief rechtsmiddelen kon uitoefenen.
De rechtbank voerde een ambtshalve toetsing uit en vond geen onrechtmatigheid in de maatregel van bewaring. Het beroep werd ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen, maar verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser.