ECLI:NL:RBDHA:2026:839

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
NL25.43512
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van Venezolaanse eiser wegens onvoldoende geloofwaardige vrees voor vervolging

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 20 januari 2026, wordt de afwijzing van de asielaanvraag van een Venezolaanse eiser behandeld. De eiser, geboren op een onbekende datum en met een V-nummer, had op 25 juni 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag op 2 september 2025 afgewezen, met een terugkeerbesluit dat een vertrektermijn van vier weken inhield. De rechtbank heeft het beroep van de eiser op 30 december 2025 behandeld, waarbij de eiser werd bijgestaan door een gemachtigde en een tolk. De rechtbank oordeelt dat de minister de afwijzing van de asielaanvraag terecht heeft gehandhaafd. De rechtbank concludeert dat de minister de problemen van de eiser met zijn collega's bij de politie niet geloofwaardig heeft hoeven achten. De eiser heeft geen gegronde vrees voor vervolging kunnen aantonen, en de rechtbank volgt de minister in zijn oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank wijst het beroep van de eiser ongegrond en bevestigt het terugkeerbesluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.43512

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , eiser

geboren op [geboortedatum] ,
van Venezolaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. E. Ebes),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.R. de groot).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. [1] Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister mocht namelijk de problemen van eiser met zijn collega’s bij de politie ongeloofwaardig vinden. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond.

Procesverloop

1. Eiser heeft op 25 juni 2024 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 2 september 2025 afgewezen als ongegrond [2] . Daarbij is tegen eiser een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken uitgevaardigd.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft op 16 september 2025 de gronden van het beroep ingediend. Eiser heeft op 19 en 28 december 2025 aanvullende gronden van het beroep, voorzien van bijlagen, ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (bijgestaan door een tolk), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
2. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij was werkzaam voor de [afdeling 2] in [plaats] en verantwoordelijk voor het onderzoeken van moordzaken. Sinds 2023 is eiser gevraagd bepaalde corrupte handelingen te verrichten. Hij heeft dit geweigerd. In maart/april 2024 is eiser gevraagd om zijn vriend [naam vriend] te vermoorden, omdat hij wist van de corruptie van zijn collega’s. Eiser weigerde dit en daarom mocht hij twee weken het [bureau] niet verlaten. In april 2024 hebben zijn collega’s [naam vriend] zelf vermoord. Eiser moest het onderzoek opstarten, dat daarna van hem is overgenomen en is met de dood bedreigd. Toen eiser het [bureau] mocht verlaten is hij kort naar huis geweest en daarna ondergedoken op het platteland. Als eiser terug moet naar Venezuela, vreest hij door zijn collega’s te worden vermoord.
Het bestreden besluit
3. De minister heeft in het bestreden besluit (en het daarin ingelaste voornemen van
28 augustus 2025) de aanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. Bij de beoordeling van het asielrelaas van eiser heeft de minister de volgende asielmotieven vastgesteld:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen met eisers collega’s bij de politie.
3.1.
De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De verklaringen van eiser over de problemen met zijn collega’s bij de politie, vindt de minister niet geloofwaardig. De minister meent dat eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag en dat hij bij terugkeer naar Venezuela ook geen reëel risico loopt op ernstige schade. [3] De asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond. Eiser krijgt geen verblijfsvergunning. Daarnaast krijgt hij een terugkeerbesluit.
3.2.
Eiser kan zich hiermee niet verenigen. De rechtbank gaat hierna in op zijn beroepsgronden, voor zover deze van belang zijn.
Herhaling zienswijze
4. De rechtbank overweegt, dat de algemene stelling van eiser in beroep dat de zienswijze als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, onvoldoende is om te kunnen aanmerken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De minister is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijze van eiser. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze, waarvan eiser in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de minister daarop volgens hem niet juist of niet toereikend is, niet bespreken.
Zorgvuldige voorbereiding
5. Eiser voert aan dat de minister de besluitvorming niet zorgvuldig heeft voorbereid. Hiertoe stelt eiser dat de hoormedewerker hem tijdens het nader gehoor niet heeft geconfronteerd met de vermeende tegenstrijdigheid over wanneer hij met zijn werk is gestopt. Hij wijst daarbij op de uitspraak van de Afdeling [4] van 20 oktober 2020 [5] , waarin is geoordeeld dat een vreemdeling tijdens een nader gehoor in de gelegenheid gesteld moet worden om (vermeende) tegenstrijdige verklaringen uit te leggen.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. In artikel 3.113, eerste lid, van het Vb [6] is bepaald dat een vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld om uitleg te geven over tegenstrijdigheden in zijn verklaringen. De rechtbank stelt vast dat eiser in het aanmeldgehoor [7] heeft verklaard dat hij tot begin juni 2024 werkzaam is geweest bij de politie. In het nader gehoor [8] heeft eiser verklaard dat hij in april 2024 het [bureau] mocht verlaten en niet meer is teruggekomen. In het bestreden besluit, en in het voornemen van 28 augustus 2025, heeft de minister toereikend gemotiveerd dat dit de kern raakt van eisers asielrelaas en dat van hem mag worden verwacht dat hij hierover consistent verklaart. Daarbij heeft de minister mee mogen wegen dat uit het nader gehoor blijkt dat eiser uitvoerig is bevraagd over zijn werkzaamheden bij de politie, wat hij precies moest doen, sinds wanneer hij onderzoek moest uitvoeren en of hij bijvoorbeeld ooit eerder overwoog om te stoppen met het werk. In dit verband heeft de minister kunnen overwegen dat het op de weg van eiser lag om consistent en volledig te verklaren over het moment waarop hij met zijn werkzaamheden is gestopt. De minister heeft op de zitting toegelicht dat eiser in het nader gehoor een andere datum heeft genoemd waarop hij met zijn werk is gestopt en dat tijdens het nader gehoor is gehandeld in lijn met de uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2020. De rechtbank volgt de minister hierin. De uitleg die eiser heeft gegeven over wanneer hij met zijn werk is gestopt, heeft de minister onvoldoende mogen vinden. Anders dan eiser heeft gesteld, heeft de minister het bestreden besluit voldoende zorgvuldig voorbereid.
Geloofwaardigheid problemen eiser met collega’s van de politie6. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen over de gestelde problemen met zijn collega’s van de politie niet geloofwaardig zijn. In het bestreden besluit, en in het voornemen van
28 augustus 2025, heeft de minister dat voldoende deugdelijk gemotiveerd.
6.1.
De minister heeft bij zijn standpunt kunnen betrekken dat uit de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 5 januari 2025 volgt dat de door eiser bij zijn aanvraag overgelegde aangiftes waarschijnlijk niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. Dat eiser stelt dat aan de door hem overgelegde documenten wel bewijswaarde dient te worden toegekend, heeft de minister onvoldoende mogen vinden. De minister heeft mogen uitgaan van de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten. Dat eiser stelt dat de minister niet aan zijn vergewisplicht heeft voldaan, heeft de minister niet hoeven volgen. Eiser heeft zijn stelling namelijk niet concreet onderbouwd. Het door eiser overgelegde hiërarchisch overzicht van personen en functies binnen het [naam 3] in [plaats] , heeft de minister niet op een ander standpunt hoeven brengen. Hij heeft mogen stellen dat met het hiërarchisch overzicht niet kan worden vastgesteld dat de overgelegde aangiftes daadwerkelijk bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven.
6.2.
Verder heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser de opdracht kreeg om zijn vriend [naam vriend] te vermoorden. Hij heeft dit in het bestreden besluit, en in het voornemen, voldoende deugdelijk gemotiveerd. Dat eiser stelt dat hem tijdens het nader gehoor niet is gevraagd waarom juist hij de opdracht kreeg om zijn vriend te vermoorden, heeft de minister niet op een ander standpunt hoeven brengen. De minister heeft hierover op de zitting gesteld dat het bevreemdend is dat eiser weer wordt gevraagd een opdracht te voeren, terwijl hij eerdere opdrachten heeft geweigerd. Daarbij heeft de minister erop gewezen dat de onderzoeks- en samenwerkingsverplichting [9] niet zover gaat dat tijdens het nader gehoor op alle punten dient te worden doorgevraagd. De minister heeft in dit verband op de zitting gesteld dat tijdens het nader gehoor op veel essentiële punten is doorgevraagd en dat eiser voldoende in de gelegenheid is gesteld om daarover opheldering te geven. De rechtbank volgt de minister hierin.
6.3.
Daarnaast heeft de minister voldoende deugdelijk gemotiveerd waarom eisers verklaringen over zijn detentie op het [bureau] en zijn vrijlating niet worden gevolgd. Hij heeft dit in het bestreden besluit, en in het voornemen, voldoende deugdelijk gemotiveerd. Daarbij heeft de minister mogen stellen dat, ook indien sprake zou zijn van een disciplinaire maatregel, de verklaringen van eiser over de omstandigheden en de duur van de periode waarin hij het [bureau] niet mocht verlaten, summier zijn. De minister heeft in dit verband mee kunnen wegen dat eiser niet concreet heeft kunnen verklaren wanneer hij precies werd vastgehouden, welke gevolgen zijn weigering van bevelen had gedurende deze periode en waarom zij hem uiteindelijk vrij lieten. Dat eiser op de zitting stelt dat hij twee weken huisarrest had op het [bureau] omdat hij niet aan de eerdere opdrachten wilde voldoen, heeft de minister niet op een ander standpunt hoeven brengen. Ook heeft de minister aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij vaag heeft verklaard over waar hij na zijn vrijlating precies heeft verbleven op het platteland. Dat eiser stelt dat hij verbleef in het buitengebied van [plaats] waar hij onderdak vond bij [naam 2] , waar zijn oom werkt, heeft de minister onvoldoende mogen vinden. Zoals de minister op de zitting heeft gesteld, mag van eiser, die vlucht naar het platteland, worden verwacht dat hij duidelijk verklaart over waar hij heeft verbleven. Anders dan eiser stelt, hoefde de minister tijdens het nader gehoor geen nadere vragen aan eiser te stellen over zijn verblijf op het platteland. Bij het voorgaande heeft de minister mogen betrekken dat de verklaringen van eisers moeder en zijn zus over zijn verblijf op het platteland niet overeenkomen met zijn eigen verklaringen.
6.4.
Verder heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank mogen stellen dat de omstandigheid dat eiser een paspoort kon aanvragen en legaal kon uitreizen er niet op duidt dat hij wordt gezocht door de politie. Hij heeft dit in het bestreden besluit, en in het voornemen, voldoende deugdelijk gemotiveerd. De minister heeft daarbij mee mogen wegen dat eisers paspoort is afgegeven op 10 mei 2024, dat hij toen al ongeveer een maand ondergedoken zat en dat eiser stelt dat er in deze tijd al twee aangiftes tegen hem zijn gedaan en dat hij gezocht werd. Dat eiser op de zitting stelt dat de termijn van het onderzoek nog niet was afgerond en de politie op het moment van het afhalen van het paspoort nog niet naar hem op zoek was, heeft de minister onvoldoende kunnen vinden. De minister heeft op de zitting gesteld dat eiser in juni 2024 uit Venezuela is vertrokken en dat op het moment van zijn uitreis de gestelde termijn van twee maanden voor het doen van onderzoek al verstreken was. De rechtbank volgt de minister hierin. Dat eiser stelt dat hij op het moment van zijn uitreis uit Venezuela nog niet op de lijst van gezochte personen stond, maakt het niet anders. Eiser heeft zijn stelling namelijk niet concreet onderbouwd.
Vrees voor terugkeer/reëel risico op ernstige schade
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte en afdoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van eiser niet blijkt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft. Daarbij heeft de minister kunnen stellen dat de omstandigheid dat eiser uit Venezuela komt op zichzelf niet voldoende is om als vluchteling te kunnen worden aangemerkt. Hij heeft hierbij kunnen stellen dat niet is gebleken dat eiser heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De minister heeft verder naar het oordeel van de rechtbank mogen stellen dat eiser bij terugkeer naar Venezuela geen reëel risico loopt op ernstige schade. Dat eiser stelt dat hij wel te vrezen heeft voor vervolging en dat hij bij terugkeer naar Venezuela een reëel risico loopt op ernstige schade, heeft de minister niet hoeven volgen. Dat geldt ook voor het standpunt van eiser dat hij gezien zijn functie van [functie] bij gedwongen terugkeer naar Venezuela als dissident/landverrader wordt gezien en ook zal worden bestraft. Eiser heeft met de verwijzing naar artikel 2, vierde lid, artikel 7, eerste en derde lid, artikel 10, eerste lid, en artikel 11 van de Venezolaanse wetgeving niet aannemelijk gemaakt dat hij als landverrader wordt aangemerkt. De door eiser op de zitting gegeven uitleg over deze artikelen, maakt het niet anders. Wat eiser daarover op de zitting heeft verklaard, wijkt namelijk af van het bepaalde in genoemde wetsartikelen. Hierbij is van belang dat eiser, zoals op de zitting aan de orde is gesteld, in het nader gehoor niets heeft verklaard over een politieke component. Het individualiseringsvereiste brengt mee dat eiser aannemelijk dient te maken dat hij bij terugkeer naar Venezuela te vrezen heeft voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM [10] . Eiser heeft dat niet gedaan.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. De minister heeft de aanvraag niet ten onrechte afgewezen als ongegrond en aan eiser geen verblijfvergunning toegekend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef onder a en b, van de Vw. Ook heeft de minister terecht een terugkeerbesluit tegen eiser uitgevaardigd. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw.
3.Zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.Vreemdelingenbesluit 2000.
7.Pagina 6 van het rapport aanmeldgehoor.
8.Pagina 15 van het rapport nader gehoor.
9.De samenwerkingsverplichting staat in artikel 4 van Richtlijn 2011/95/EU (Kwalificatierichtlijn).
10.Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.