ECLI:NL:RBDHA:2026:839
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag van Venezolaanse eiser wegens onvoldoende geloofwaardige vrees voor vervolging
In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 20 januari 2026, wordt de afwijzing van de asielaanvraag van een Venezolaanse eiser behandeld. De eiser, geboren op een onbekende datum en met een V-nummer, had op 25 juni 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag op 2 september 2025 afgewezen, met een terugkeerbesluit dat een vertrektermijn van vier weken inhield. De rechtbank heeft het beroep van de eiser op 30 december 2025 behandeld, waarbij de eiser werd bijgestaan door een gemachtigde en een tolk. De rechtbank oordeelt dat de minister de afwijzing van de asielaanvraag terecht heeft gehandhaafd. De rechtbank concludeert dat de minister de problemen van de eiser met zijn collega's bij de politie niet geloofwaardig heeft hoeven achten. De eiser heeft geen gegronde vrees voor vervolging kunnen aantonen, en de rechtbank volgt de minister in zijn oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank wijst het beroep van de eiser ongegrond en bevestigt het terugkeerbesluit.