Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning van 23 juni 2025. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken en dat eiser de minister heeft verzocht alsnog binnen twee weken te beslissen, maar de minister heeft niet binnen die termijn besloten.
Op 3 februari 2026 heeft de minister alsnog een besluit genomen. Hierdoor is het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk geworden. Het beroep tegen het alsnog genomen besluit is ongegrond omdat eiser geen gronden heeft aangevoerd die het besluit zouden kunnen onderbouwen.
De rechtbank oordeelt dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling, maar draagt de minister op het door eiser betaalde griffierecht van €194,- te vergoeden. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.