Eiser, een jongvolwassene van Kameroense nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel. Hij stelde een gegronde vrees te hebben voor vervolging vanwege zijn Hausa-etniciteit, familieconflicten en geweld door gewelddadige groepen. De minister wees de aanvraag af wegens onvoldoende geloofwaardigheid en aannemelijkheid van de vrees.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht het asielmotief over discriminatie en familieproblemen deels ongeloofwaardig vond. Eiser maakte onvoldoende aannemelijk dat hij persoonlijk een reëel risico loopt op ernstige schade door Boko Haram, de Microbes-bende, of de etnische conflicten in Kameroen. Ook de vrees voor zijn oom werd niet aannemelijk geacht.
Daarnaast kwam eiser niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen, omdat hij meerderjarig werd binnen de beslistermijn en het onderzoek naar opvang niet tijdig kon worden afgerond.
De rechtbank concludeerde dat de afwijzing van de asielaanvraag terecht is en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.