Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8418

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
NL26.15674
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.R. van der Winkel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 6 HandvestArtikel 15 richtlijn 2008/115ECLI:EU:C:2020:367ECLI:EU:C:2026:148
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduren maatregel van bewaring na aanvullend terugkeerbesluit met ander land van terugkeer

De minister heeft op 23 april 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser, die van Ivoriaanse nationaliteit stelt te zijn, maar volgens de minister Ghanese nationaliteit heeft. De maatregel is verlengd en eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de bewaring en verzocht om schadevergoeding.

De rechtbank toetst de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel vanaf 12 januari 2026, het moment van het sluiten van het eerdere onderzoek. Eiser betoogt dat de maximale termijn voor inbewaringstelling is verstreken, omdat het aanvullend terugkeerbesluit van 23 april 2025 met Ghana als land van terugkeer geen nieuw terugkeerbesluit zou zijn. De minister stelt dat dit wel het geval is, omdat het land van terugkeer een essentieel onderdeel van het terugkeerbesluit is.

De rechtbank stelt vast dat de eerdere bewaringen gericht waren op terugkeer naar Ivoorkust, maar dat sinds 23 april 2025 een nieuw terugkeerbesluit geldt met Ghana als land van terugkeer. De totale duur van de bewaring gericht op Ghana bedraagt 352 dagen, waarmee de maximale termijn van achttien maanden nog niet is bereikt. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard omdat de maximale termijn nog niet is verstreken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.15674

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H. Loth),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J.P.M. Wuite).

Procesverloop

De minister heeft op 23 april 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Bij besluit van 13 oktober 2025 heeft de minister de maatregel van bewaring met ten hoogste twaalf maanden verlengd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De minister heeft op 1 april 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Ivoriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 1] 1983. De minister gaat ervan uit dat eiser [naam] heet, de Ghanese nationaliteit heeft en is geboren op [geboortedatum 2] 1987.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 13 januari 2026 (in de zaak NL26.735) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 12 januari 2026.
Wat is het standpunt van eiser?
3. Eiser voert aan dat de totale maximale termijn voor inbewaringstelling inmiddels is verstreken. Dat er op 23 april 2025 een aanvullend terugkeerbesluit is genomen waarin als land van terugkeer Ghana is toegevoegd, betekent niet dat sprake is van een nieuw terugkeerbesluit. Dat er een rechtsmiddel tegen het aanvullend terugkeerbesluit openstaat rechtvaardigt die conclusie evenmin. Wellicht had de minister het oude terugkeerbesluit eerst moeten intrekken voordat kan worden gesproken van een nieuw terugkeerbesluit. Nu dat niet is gebeurd is de bewaring nog steeds gestoeld op hetzelfde terugkeerbesluit van 29 augustus 2013. Daarom heeft de bewaring ter uitvoering van dat terugkeerbesluit te lang voortgeduurd.
Wat is het standpunt van de minister?
4. De minister heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat de eerdere inbewaringstellingen waren gebaseerd op een terugkeerbesluit waarin Ivoorkust als land van terugkeer ten grondslag lag. De huidige maatregel van bewaring is de eerste maatregel op basis van het aanvullend terugkeerbesluit van 23 april 2025, waarin Ghana als land van terugkeer wordt genoemd. Er is daarom op dat moment een nieuwe termijn voor inbewaringstelling gaan lopen. De minister verwijst daarbij naar het arrest FMS, [1] waaruit volgt dat, door het vermelde land van bestemming te wijzigen, een zo essentieel punt van het terugkeerbesluit is gewijzigd dat sprake is van een nieuw terugkeerbesluit.
Van welke feiten gaat de rechtbank uit?
Wanneer en gericht op welk land vonden de eerdere inbewaringstellingen plaats?
5. Uit het overzicht blijkt dat eiser in bewaring heeft gezeten [2] van 16 mei 2012 tot 31 mei 2012 (16 dagen), van 15 augustus 2013 tot 23 augustus 2013 (9 dagen), van 18 november 2013 tot 6 december 2013 (19 dagen), van 11 juli 2018 tot 30 augustus 2018 (51 dagen), van 4 maart 2025 tot 6 maart 2025 (3 dagen) en vanaf 23 april 2025 tot heden. De rechtbank stelt vast dat in het aanvullend terugkeerbesluit van 23 april 2025 is vermeld dat het een aanvulling is op het terugkeerbesluit van 29 augustus 2013. In het terugkeerbesluit van 29 augustus 2013 staat als nationaliteit vermeld: Ivoriaanse. Uit de inhoud van het besluit blijkt echter niet naar welk land eiser moet terugkeren. Uit de stukken blijkt verder dat eiser op 30 juli 2008, 27 januari 2010 en 23 augustus 2013 is gepresenteerd bij de autoriteiten van Ivoorkust, waaruit volgt dat terugkeer destijds feitelijk gericht was op Ivoorkust. Uit het verlengingsbesluit van 13 oktober 2025 volgt dat die drie laissez-passeraanvragen (lp-aanvragen) zijn geweigerd, waarbij is vastgesteld dat eiser niet de Ivoriaanse nationaliteit bezit. Onduidelijk is op welk land de inbewaringstelling van 11 juli 2018 tot 30 augustus 2018 was gericht. Uit de uitspraak van 4 september 2018 over de inbewaringstelling van 2018, bekend onder zaaknummer NL18.14530, volgt dat destijds nog wel werd uitgegaan van de Ivoriaanse nationaliteit van eiser. Gelet op de eerdere afwijzingen is dat echter niet vanzelfsprekend. Uit het verlengingsbesluit volgt verder dat eiser eind 2019 in aanraking is gekomen met de NGO Stichting ‘Goedwerk’ waarbij eiser aanvankelijk stelde uit Ivoorkust te komen, maar later toegaf van Ghanese afkomst te zijn. Op 26 februari 2020 is vervolgens een lp verkregen voor Ghana. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de maatregel van bewaring gedurende 4 maart 2025 tot 6 maart 2025 (3 dagen) feitelijk al gericht was op Ghana als land van terugkeer, ook al was op dat moment het aanvullende terugkeerbesluit van 23 april 2025 - waarin Ghana als land van terugkeer is vermeld - nog niet genomen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat de maximale termijn van achttien maanden bewaring voor eiser nog niet is verstreken. De rechtbank licht dit oordeel als volgt toe.
7. De rechtbank stelt voorop dat het Hof van Justitie (hierna: het Hof) in zijn arrest Aroja [3] heeft overwogen dat uit artikel 15, leden 5 en 6, van richtlijn 2008/115 volgt dat alle perioden van bewaring die een illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende onderdaan van een derde land op grond van artikel 15 van Pro die richtlijn ter uitvoering van een en hetzelfde terugkeerbesluit in die lidstaat heeft uitgezeten, moeten worden samengeteld om te bepalen of de krachtens een van deze bepalingen vastgestelde maximale bewaringsduur is bereikt. Daaraan wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat deze perioden van bewaring zijn onderbroken door perioden van vrijheid.
8. Als hoofdregel vangt een bewaringstermijn (van maximaal zes + twaalf maanden) aan met een inbewaringstelling van een vreemdeling gericht op zijn uitzetting naar een land dat staat vermeld in een terugkeerbesluit.
Uit het arrest FMS [4] van het Hof, volgt dat met het wijzigen van het in het terugkeerbesluit vermelde land van bestemming, een zo essentieel punt van het terugkeerbesluit wordt gewijzigd dat daarmee sprake is van een nieuw terugkeerbesluit.
Gelet op het in artikel 6 van Pro het Handvest neergelegde recht op vrijheid en de ernst van de inmenging op dat recht door een inbewaringstelling, dient de rechtbank bij een beroep tegen een opvolgende bewaring dat is gegrond op een aldus vernieuwd terugkeerbesluit, vast te stellen dat de minister in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs dat vernieuwde besluit kon nemen.
9. Eerder was de bewaring van eiser gericht op zijn terugkeer naar Ivoorkust. Met de minister is de rechtbank van oordeel dat de onjuiste inlichtingen van eiser ten grondslag lagen aan een de bewaring gericht op terugkeer naar Ivoorkust, gelijk de huidige inlichtingen van eiser ten grondslag liggen aan de bewaring gericht op zijn terugkeer naar Ghana. De rechtbank stelt vast dat de minister het bestemmingsland aldus mocht aanpassen van Ivoorkust naar Ghana.
10. Met het aanvullend terugkeerbesluit van 23 april 2025 is daarom naar het oordeel van de rechtbank een nieuwe terugkeerprocedure gestart. De datum van dat besluit markeert de start van die terugkeerprocedure, zoals ook volgt uit bestendige rechtspraak. [5]
11. De rechtbank stelt vast dat eiser, ter uitvoering van het terugkeerbesluit gericht op zijn uitzetting naar Ghana, inmiddels in totaal 352 dagen in bewaring zit op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. De rechtbank stelt vast dat de termijn van achttien maanden inbewaringstelling verstrijkt op 14 oktober 2026 en daarom op dit moment nog niet is verstreken. De rechtbank is daarom van oordeel dat het voortduren van de maatregel niet vanwege termijn overschrijding onrechtmatig is.
Conclusie
12. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is. [6]
13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. van der Winkel, rechter, in aanwezigheid van S. Hitijahubessy - Brussaard, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 14 mei 2020, ECLI:EU:C:2020:367, punten 116 t/m 123.
2.Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
3.Arrest van het Hof van 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148.
4.Arrest van het Hof van 14 mei 2020, ECLI:EU:C:2020:367, punten 116 t/m 123.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP9280.
6.Zie de arresten van het Hof van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.