Eiser diende beroep in tegen het niet tijdig beslissen van verweerder op zijn aanvraag. Verweerder nam op 5 maart 2025 alsnog een besluit (het reële besluit), maar eiser handhaafde zijn beroep omdat het reële besluit niet geheel tegemoetkwam aan zijn bezwaren.
De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat verweerder inmiddels heeft beslist en eiser geen procesbelang meer heeft bij het beroep tegen het niet tijdig beslissen. Wel wordt het beroep mede betrokken op het reële besluit.
De rechtbank beoordeelt dat de opschorting van de beslistermijn door verweerder niet rechtsgeldig was, omdat de bezwaargronden niet voldoende waren toegelicht en er geen sprake was van een verzuim dat opschorting rechtvaardigt. Verweerder heeft de beslistermijn overschreden en is daarom een bestuurlijke dwangsom verschuldigd.
De dwangsom wordt vastgesteld op €1127,- voor de periode van 28 januari 2026 tot 4 maart 2026. Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €467,-, en in het door eiser betaalde griffierecht van €54,-. De uitspraak is gedaan door rechter P. Lenstra op 27 maart 2026.