Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8445

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
NL26.17329
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring op grond van artikel 59a Vreemdelingenwet

Eiser, een Soedanese nationaliteit dragende persoon, is op 26 maart 2026 de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel is gebaseerd op het bestaan van een concreet aanknopingspunt voor overdracht aan Frankrijk volgens de Dublinverordening, mede ondersteund door een claimakkoord van 11 december 2025.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, dat tevens geldt als verzoek om schadevergoeding. Tijdens de zitting op 8 april 2026 heeft eiser de gronden voor de bewaring niet betwist. De rechtbank constateert dat de gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn, waaronder het risico op onderduiken en het niet naleven van verplichtingen uit het Vreemdelingenbesluit.

Eiser stelde dat er geen zicht is op overdracht binnen een redelijke termijn, mede omdat eerdere uitzettingen niet tot definitieve terugkeer leidden en de overdracht aan Frankrijk recent niet doorging. De rechtbank oordeelt echter dat er wel degelijk zicht is op overdracht, met een geplande overdracht aan Frankrijk op 16 april 2026, en dat een passage over mogelijke overdracht aan Duitsland een kennelijke verschrijving betreft.

De rechtbank vindt dat een lichter middel niet doeltreffend is om het risico op onttrekking te voorkomen en dat de maatregel niet onrechtmatig of onevenredig bezwarend is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.17329

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 26 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1998 en de Soedanese nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder terecht vastgesteld dat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening. Er is sprake van een claimakkoord met Frankrijk van 11 december 2025. Verweerder heeft de maatregel dan ook terecht gebaseerd op artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. Verder heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een significant risico bestaat dat eiser zal onderduiken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet heeft betwist. De gronden zijn feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd. De gronden onderbouwen dat sprake is van een significant risico op onttrekking aan het toezicht en kunnen de maatregel dragen.
4. Eiser voert aan dat er geen zicht is op overdracht van eiser binnen een redelijke termijn. Eiser is al meerdere malen uitgezet en dat heeft er niet toe geleid dat eiser definitief niet is teruggekeerd naar Nederland. Recent is de aangekondigde overdracht van eiser door de Franse autoriteiten niet geaccordeerd. Uit de maatregel van bewaring blijkt bovendien dat eiser mogelijk aan Duitsland wordt overgedragen.
5. Anders dan eiser stelt, is er een claimakkoord met Frankrijk. De eerder geplande overdracht van eiser naar Frankrijk op 8 april 2026 heeft geen doorgang gevonden omdat verweer niet had voldaan aan de eis van de Franse autoriteiten om tien werkdagen voor de overdracht eisers persoonsgegevens door te geven. Op 2 april 2026 is aangekondigd dat de overdracht van eiser aan Frankrijk op 16 april 2026 zal plaatsvinden. Gelet hierop is er voldoende zicht op overdracht aan Frankrijk. Voor zover de tekst van de maatregel van bewaring een passage bevat waarin wordt gesteld dat dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser, is gelet ook op de overige tekst van de maatregel sprake is van een kennelijke verschrijving.
6. Verweerder heeft verder voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is toe te passen om het significante risico op onttrekking te ondervangen. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel.
7. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 9 april 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.