De minister van Asiel en Migratie legde op 25 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De rechtbank behandelde het beroep op 3 april 2026 via telehoren.
De minister baseerde de bewaring op twee gronden: de a-grond, omdat de identiteit of nationaliteit van eiser onvoldoende vaststaat, en de b-grond, vanwege het risico op onttrekking aan toezicht. De rechtbank stelde vast dat eiser voorafgaand aan de bewaring niet had geprotesteerd tegen de procedure en dat de maatregel niet onrechtmatig was. Hoewel eiser tijdens het gehoor uiteindelijk weigerde de asielaanvraag te ondertekenen, had hij meerdere malen aangegeven asiel te willen aanvragen, wat de grondslag van de maatregel niet aantast.
De rechtbank oordeelde dat aan de voorwaarden van de a-grond was voldaan, omdat eiser geen identiteitsdocumenten kon overleggen en niet aannemelijk had gemaakt dat hij Nederland op de juiste wijze was binnengekomen. Ook de lichte gronden, zoals het ontbreken van een vaste verblijfplaats en onvoldoende middelen, waren terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd. De b-grond werd eveneens als voldoende gemotiveerd beschouwd.
Eiser voerde aan dat een lichter middel passend zou zijn, mede vanwege zijn medische situatie. De rechtbank vond dat de minister voldoende rekening had gehouden met de medische omstandigheden en dat een lichter middel niet toereikend was om de uitzetting te waarborgen. De minister gaf aan voortvarend te werken aan de asielaanvraag van eiser. De rechtbank concludeerde dat de maatregel rechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.