Eiser, van Somalische nationaliteit, diende op 8 november 2025 een asielaanvraag in. Verweerder stelde de aanvraag niet in behandeling vanwege de Dublinverordening, die Frankrijk als verantwoordelijke lidstaat aanwijst. Op 30 maart 2026 legde verweerder een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, met het oog op zijn overdracht aan Frankrijk.
Eiser voerde aan dat de bewaring onrechtmatig was omdat deze werd ingezet voor strafrechtelijke doeleinden en niet voor het beoogde vreemdelingenrechtelijke doel. Hij betwistte de beschuldigingen die verweerder gebruikte ter motivering, waaronder uitspraken over geweld en het gebruik van verdovende middelen. Verweerder baseerde de bewaring op meerdere zware en lichte gronden, waaronder het niet meewerken aan de overdracht en het ontbreken van een vaste verblijfplaats.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht een significant risico op onttrekking aannam en dat de bewaring proportioneel en noodzakelijk was. De enkele omstandigheid dat eiser beroep had ingesteld tegen het overdrachtsbesluit en rechtmatig verblijf genoot tot overdracht, deed hieraan niet af. Er was geen sprake van misbruik van bevoegdheid. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.