Eiser, van Algerijnse nationaliteit, werd op 8 maart 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij betwistte de rechtmatigheid van zijn aanhouding, stellende dat er geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf was en dat de aanhouding onrechtmatig was.
De rechtbank oordeelt dat uit het proces-verbaal blijkt dat de aanhouding plaatsvond nadat verbalisanten een melding kregen over mannen in een bootje, waarna aan eiser en anderen werd gevraagd het bootje te verlaten en zij werden bevraagd over het eigendom van het bootje. Omdat eiser niet kon voldoen aan de identificatieplicht, werd hij aangehouden op grond van het ontbreken van een geldig identiteitsbewijs. De rechtbank volgt de vaste jurisprudentie dat de bestuursrechter niet toetst aanwending van niet-vreemdelingenrechtelijke bevoegdheden en verwerpt het verweer van eiser.
De minister stelde dat de bewaring nodig was vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht volgens de Dublinverordening en risico op ontduiking van toezicht. De rechtbank constateert dat eiser de lichte grond 4d betwistte, maar dat deze door de minister is laten vallen. De overige gronden zijn feitelijk juist en voldoende gemotiveerd, waardoor de bewaring kan worden gedragen.
Eiser voerde aan dat de overplaatsing naar het detentiecentrum pas na bijna 20 uur plaatsvond en dat onvoldoende is gemotiveerd waarom hij een nacht in het cellencomplex verbleef. De rechtbank oordeelt dat de overplaatsing binnen 24 uur tijdig was en dat geen nadere motivering vereist is.
De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.