Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8550

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
NL26.17560
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen bewaring op grond van Vreemdelingenwet 2000 ongegrond verklaard

Eiseres, van Vietnamese nationaliteit, is in bewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege het risico op onttrekking en het vermoeden dat haar asielaanvraag is ingediend om terugkeer te voorkomen. Haar eerdere asielaanvragen zijn afgewezen of buiten behandeling gesteld.

De rechtbank stelt vast dat drie van de door verweerder aangevoerde gronden voor het risico op onttrekking feitelijk juist en voldoende onderbouwd zijn. Eiseres betwist enkele gronden, maar deze behoeven geen nadere bespreking omdat de overige gronden voldoende zijn voor de maatregel.

De rechtbank oordeelt dat een lichter middel niet toereikend is, mede gezien het feit dat eiseres sinds 2012 geen stappen heeft ondernomen om Nederland te verlaten en eerdere vrijheidsbeperkende maatregelen niet tot vertrek hebben geleid.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.17560

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. S. Faber),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. G. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres stelt van Vietnamese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1986. Tegen eiseres is op 20 juli 2012 een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Haar asielaanvraag is op 18 augustus 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. Deze beschikking geldt als een aanvullend terugkeerbesluit. Opvolgende asielaanvragen van 23 december 2025 en 19 februari 2026 zijn buiten behandeling gesteld. Eiseres heeft op 25 maart 2026 een (opvolgende) asielaanvraag ingediend waarop nog niet is beslist. Gelet hierop berust de maatregel van bewaring terecht op artikel 59b van de Vw.
2. Verweerder acht de maatregel noodzakelijk met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag, wegens het risico op onttrekking. Daarnaast heeft verweerder in de maatregel overwogen dat op redelijke gronden kan worden aangenomen dat de huidige asielaanvraag van eiseres slechts is ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen. Eiseres heeft eerder een asielaanvraag gedaan en is daarna in bewaring gehouden met het oog op gedwongen terugkeer naar Vietnam.
3. Voor wat betreft het aan te nemen risico op onttrekking heeft verweerder, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiseres:
- 3
b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
- 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
- 3e. in verband met haar aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over haar identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
- 3i. te kennen heeft gegeven dat zij geen gevolg zal geven aan haar verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:
- 4
a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
- 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiseres betwist in beroep de zware gronden 3b, 3e, 4a en 4d. De rechtbank stelt vast dat de overige drie gronden 3c, 4b en 4c feitelijk juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel. Reeds uit deze drie gronden volgt dat een risico op onttrekking wordt aangenomen, zodat de overige gronden geen verdere bespreking behoeven.
5. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat met een lichter middel had moeten worden volstaan. Verweerder heeft voldoende toegelicht dat het risico op onttrekking niet voldoende met een lichter middel kan worden ondervangen. Daarbij heeft verweerder er terecht op gewezen dat dat eiseres sinds 2012 op geen enkele wijze heeft gewerkt aan haar vertrek uit Nederland. Het lichter middel van plaatsing in een vrijheidsbeperkende locatie heeft daarbij niet geleid tot het vertrek van eiseres uit Nederland. Verweerder heeft er verder op gewezen dat de eerdere asielaanvragen van eiseres kort achter elkaar zijn gedaan en zijn afgedaan als kennelijk ongegrond, dan wel buiten behandeling zijn gesteld waarbij eiseres geen inzicht heeft gegeven over concrete asielmotieven. Verweerder leidt hier terecht uit af dat de huidige asielaanvraag uitsluitend lijkt te zijn ingediend om de uitzetting naar Vietnam te voorkomen of te vertragen.
6. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om de bewaring onrechtmatig te achten.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 10 april 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.