ECLI:NL:RBDHA:2026:8551
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen verlenging overdrachtstermijn Dublinverordening wegens onderduiken
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister om de overdrachtstermijn aan Zwitserland te verlengen tot achttien maanden. De minister had het eerdere verzoek van eiseres niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk was voor haar aanvraag. De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 behandeld.
Eiseres betwist dat zij met onbekende bestemming is vertrokken en stelt dat zij de nacht voor de geplande overdracht bij een vriendin op het COA verbleef en zich tijdig heeft gemeld. De rechtbank weegt echter de verklaringen van eiseres en de bevindingen van de Dienst Terugkeer en Vertrek, die zijn afgestemd met het COA, en concludeert dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar verblijf elders op het COA tijdig heeft gemeld.
De rechtbank verwijst naar het arrest Jawovan van het Hof van Justitie van de EU en de uitleg van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening, waarin onderduiken wordt gedefinieerd als het doelbewust buiten bereik blijven van de autoriteiten om overdracht te voorkomen. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft onderbouwd dat sprake is van onderduiken en verklaart het beroep ongegrond. De vraag van indirect refoulement wordt niet in deze procedure beoordeeld.
Uitkomst: Het beroep tegen het verlengingsbesluit van de overdrachtstermijn wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.