Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8569

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
09/001958-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving met vuurwapen

Op 2 januari 2025 vond in Delft een poging tot ontvoering plaats waarbij het slachtoffer onder dreiging van een vuurwapen werd aangevallen en geprobeerd werd in een bestelbus te trekken. De verdachte zat kort daarna als bijrijder in de bestelbus met het door het slachtoffer opgegeven kenteken.

De rechtbank achtte bewezen dat de verdachte samen met anderen het slachtoffer heeft aangevallen en geprobeerd heeft hem wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven. Dit werd onderbouwd met getuigenverklaringen, camerabeelden, DNA-sporen op een handschoen in de bestelbus en het feit dat de verdachte bivakmuts en kleding droeg die overeenkwamen met de aanvaller.

De rechtbank veroordeelde de verdachte tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht en ambulante behandeling. Tevens werd een schadevergoeding van € 2.500,- aan het slachtoffer toegekend wegens immateriële schade. De straf houdt rekening met eerdere geweldsdelicten en de ernst van het feit.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk, en betaling van € 2.500,- schadevergoeding aan het slachtoffer.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/001958-25
Datum uitspraak: 7 april 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 14 april 2025 (pro forma), 2 december 2025 (regie) en 24 maart 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.M. Offers en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. R.J.E. Berfelo naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 2 januari 2025 te Delft, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk [het slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en/of beroofd te houden,
- met een busje aan is/zijn komen rijden en/of
- heeft/hebben geprobeerd die [het slachtoffer] in dat busje te trekken en/of
- die [het slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij moest instappen en/of
- die [het slachtoffer] heeft/hebben geslagen met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, althans een voorwerp en/of
- en/of die [het slachtoffer] heeft/hebben geslagen en/of met hem heeft/hebben geworsteld/gevochten
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Inleiding
Op 2 januari 2025 heeft er omstreeks 23.42 uur in Delft een poging tot ontvoering van [het slachtoffer] (verder: het slachtoffer) plaatsgevonden. Twee mannen, waarvan een met een wapen, zijn uit een bestelbus gekomen, hebben geweld tegen het slachtoffer gebruikt en hebben geprobeerd hem in de bestelbus te krijgen. Het slachtoffer heeft zich verzet. Een buurtbewoner die het incident zag gebeuren heeft uit het raam geroepen, onder meer dat hij 112 ging bellen. De bestelbus en de inzittenden zijn daarop weggereden zonder dat het is gelukt om het slachtoffer mee te nemen. Het slachtoffer heeft het kenteken van de bus kunnen onthouden. Korte tijd daarna, op 3 januari 2025 om 00.17 uur is de verdachte als bijrijder in de bestelbus met het door het slachtoffer opgegeven kenteken ( [kenteken] ) aangehouden.
De verdachte heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen. Door zijn raadsman is aangevoerd dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat de verdachte fysiek bij de poging tot ontvoering betrokken is geweest en ook niet dat de verdachte wetenschap van een plan tot ontvoering heeft gehad.
Betrokkenheid verdachte
De rechtbank overweegt het volgende.
Het slachtoffer heeft verklaard dat de bestelbus langs hem reed en dat een man uitstapte vanaf de bijrijderskant. Deze man droeg een bivakmuts, had een vuurwapen en probeerde hem in de bus te trekken. Nadat een getuige iets had geroepen, liet de man los en stapte de man met de bivakmuts en het vuurwapen weer als bijrijder in de bestelbus. Korte tijd later is de bestelbus aangehouden en zat de verdachte op de bijrijdersstoel met in zijn jaszak een bivakmuts.
Het dossier bevat camerabeelden van de poging tot ontvoering, waarop is te zien dat het slachtoffer door een persoon wordt aangevallen. De kleding van de aanvaller op de camerabeelden – een donkere jas met capuchon, een lichtgrijze broek en sneakers met witte zolen – toont een opvallende, sterke gelijkenis met de kleding die de verdachte op het moment van aanhouding (kort na de poging tot ontvoering) droeg.
Verder is in de bestelbus een handschoen aangetroffen, die door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) op de aanwezigheid van DNA-materiaal is onderzocht. Het NFI heeft geconcludeerd dat het aan de binnenkant van de handschoen aangetroffen DNA-mengprofiel van minimaal vier personen afkomstig is. De match van het DNA-profiel aan de binnenkant van de handschoen met het DNA-profiel van verdachte is meer dan één miljard keer waarschijnlijker als het DNA van verdachte afkomstig is dan van een willekeurig ander persoon. Ook is de match van het DNA-profiel op de buitenkant van de handschoen met het DNA-profiel van het slachtoffer meer dan één miljard keer waarschijnlijker als het DNA van het slachtoffer afkomstig is dan van een willekeurig ander persoon. Hieruit concludeert de rechtbank dat het DNA van de verdachte en het DNA van het slachtoffer daadwerkelijk op de handschoen is aangetroffen. Het DNA van de verdachte zat op de binnenkant van de in de bestelbus aangetroffen handschoen en het DNA van het slachtoffer aan de buitenkant van deze handschoen. Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden merkt de rechtbank het op de handschoen aangetroffen DNA aan als een daderspoor dat aan de verdachte is gekoppeld.
Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het de verdachte is geweest die het slachtoffer die nacht samen met een ander in Delft heeft aangevallen. Dat het hierbij om een poging tot ontvoering ging – en niet om een ander geweldsdelict – leidt de rechtbank af uit de aangifte van het slachtoffer, waarin wordt benoemd dat het handelen van de verdachte er duidelijk op was gericht om het slachtoffer de bestelbus in te krijgen. Daarmee wordt het verweer dat niet bewezen kan worden verklaard dat de verdachte het opzet had op een wederrechtelijke vrijheidsberoving, verworpen.
De raadsman heeft aangevoerd dat het niet aannemelijk is dat de verdachte het slachtoffer heeft aangevallen, omdat volgens het slachtoffer de bijrijder hem in het Marokkaans uitschold en de verdachte geen Marokkaanse achtergrond heeft. De rechtbank ziet hierin geen reden om aan nemen dat het niet de verdachte was die het slachtoffer trachtte te ontvoeren, alleen al niet omdat de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat de verdachte niet in het Marokkaans kan schelden.
Dreiging met vuurwapen
De rechtbank stelt vast dat de poging tot ontvoering met behulp van dreiging met een (echt) vuurwapen is gepleegd, omdat het slachtoffer dit heeft verklaard en op de locatie van de poging tot ontvoering een patroonhouder van een vuurwapen is aangetroffen.
Medeplegen
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte het feit in vereniging heeft gepleegd, omdat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de in de bestelbus aanwezige medeverdachten. De verdachten hebben gezamenlijk de komst van het slachtoffer afgewacht, er is sprake geweest van een zekere rolverdeling en de daadwerkelijke fysieke handelingen om het slachtoffer in de bus te krijgen zijn door de verdachte en een medeverdachte gezamenlijk uitgevoerd.
Conclusie
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen van een poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving bewezen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 2 januari 2025 te Delft, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk [het slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven,
- met een busje aan zijn komen rijden en
- hebben geprobeerd die [het slachtoffer] in dat busje te trekken en
- die [het slachtoffer] hebben gezegd dat hij moest instappen en
- die [het slachtoffer] hebben geslagen met een vuurwapen, en
- die [het slachtoffer] hebben geslagen en met hem hebben geworsteld
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit om – in geval van een veroordeling – een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, en een taakstraf van 240 uur op te leggen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan (het medeplegen van) een poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving. Hiertoe heeft de verdachte samen met een ander het slachtoffer onder dreiging van een vuurwapen ’s nachts op straat aangevallen, waardoor hij letsel aan zijn hoofd heeft opgelopen. Uit de in de bestelbus aangetroffen tiewraps en de in telefoons aangetroffen chats leidt de rechtbank af dat het doelwit hardhandig van zijn vrijheid moest worden beroofd en mogelijk zelfs zou worden gemarteld. Dat het hier uiteindelijk niet toe is gekomen, valt enkel te wijten aan het verzet van het slachtoffer en de oplettendheid van een buurtbewoner. Een dergelijke brutale en gewelddadige aanval in het donker op straat leidt tot grote gevoelens van onveiligheid bij het slachtoffer als ook bij omstanders en buurtbewoners.
De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft genomen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 10 februari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het plegen van het feit voor een geweldsdelict is veroordeeld. De rechtbank weegt dit in het nadeel van de verdachte mee.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van meerdere reclasseringsadviezen over de verdachte, waarvan de meest recente op 2 april 2025 is uitgebracht. Doordat de verdachte zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen, heeft de reclassering onvoldoende inzicht in mogelijke problematiek van de verdachte kunnen krijgen. De reclassering adviseert om bij veroordeling van de verdachte het volwassenenstrafrecht toe te passen en hem een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden – te weten een meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een contactverbod en dagbesteding – op te leggen.
De reclassering heeft op 23 maart 2026 via een e-mail een update over de verdachte gegeven. Hierin staat dat hij goed in contact staat met de reclassering en de meldplichten nakomt. Hij is gestart met een ambulante behandeling bij For-Fact. Er zijn wel zorgen over de psychotische klachten van de verdachte en deze hebben geleid tot een incident met een medebewoner. Sinds juli 2025 woont de verdachte bij Kwintes. Hij werkt daar aan zijn doelen. De verdachte heeft een positieve ontwikkeling laten ten aanzien van zijn aanwezigheid op school. Er is ten slotte sprake van schulden en een betalingsachterstand, wat stress met zich mee brengt.
Ter terechtzitting is verder naar voren gekomen dat de verdachte voor zijn psychotische klachten (nog) geen medicijnen inneemt. Tot slot heeft de verdachte toegezegd bereid te zijn zich aan de voorwaarden te zullen houden die de reclassering heeft geadviseerd.
Vergelijkbare zaken en LOVS-oriëntatiepunten
In de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting is geen oriëntatiepunt opgenomen voor een ontvoering. De rechtbank heeft ter oriëntatie gekeken naar andere zaken waarin sprake is van geplande ontvoeringen in het criminele circuit. Daarin worden onvoorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd van een fors aantal maanden of soms jaren.
De op te leggen straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van twaalf maanden, met aftrek van de tijd reeds in voorarrest doorgebracht, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren passend en geboden. Aan het voorwaardelijk strafdeel worden de bijzondere voorwaarden verbonden die zijn geadviseerd door de reclassering, met uitzondering van het contactverbod.
De rechtbank acht een voorwaardelijke strafdeel met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden passend omdat hiermee een kader wordt geboden aan de verdachte om met steun van de reclassering te werken aan de gesignaleerde probleemgebieden. De rechtbank kiest hierbij voor een proeftijd van drie jaar, omdat sprake is van een jeugdige verdachte die naar het oordeel van de rechtbank bij langdurige begeleiding gebaat is.
Het door de reclassering geadviseerde contactverbod met de medeverdachten zal de rechtbank niet opleggen als bijzondere voorwaarde omdat de rechtbank geen aanleiding heeft te veronderstellen dat de verdachte verder contact heeft, wil of zal hebben met de medeverdachten.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[het slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen over de toewijsbaarheid van de vordering.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om – in geval van een veroordeling – het toe te wijzen bedrag wegens een gebrek aan onderbouwing te matigen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. Door de aanval heeft het slachtoffer letsel aan zijn hoofd opgelopen. Het psychische letsel is voldoende onderbouwd. Gelet hierop bestaat naar het oordeel van de rechtbank recht op smartengeld op grond van artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek, op de grond dat er sprake is van lichamelijk letsel en een aantasting van de persoon op andere wijze.
De rechtbank ziet gelet op de ernst van de aantasting van de persoon en de toelichting op de vordering ter terechtzitting reden de gevorderde immateriële schade toe te wijzen.
Toe te wijzen bedrag
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 2.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 januari 2025. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Proceskosten
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Voorts geldt dat de verdachte, voor zover de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij hebben betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder feit 1 (primair) bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.500,-, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 januari 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [het slachtoffer] .

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47 en 282 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
medeplegen van poging tot iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
12 (TWAALF) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, te weten 103 (honderddrie) dagen, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
3 (drie) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegdonder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
drie jarenvastgestelde
proeftijdniet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
Meldplicht
- zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland (adres: Middendreef 293, 8233 GT Lelystad) op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;
Ambulante behandeling
- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van polikliniek De Waag Almere of een soortgelijke zorginstelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, zolang de reclassering dat noodzakelijk acht. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
Begeleid wonen of maatschappelijke opvang
- gedurende de proeftijd verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten Kwintes, Stichting Exodus of een soortgelijke instelling, en zich houdt aan de huisregels en het (dag)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;
Dagbesteding
- zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van betaald werk met een vaste structuur;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [het slachtoffer] toe tot een bedrag van € 2.500,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 2 januari 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [het slachtoffer] ;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij [het slachtoffer] , begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 januari 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [het slachtoffer] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald,
gijzelingzal worden toegepast voor de duur van
25 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als een van de mededaders de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij [het slachtoffer] heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij [het slachtoffer] heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Schaaf, voorzitter,
mr. drs. H.M. Braam, rechter,
mr. A. Dantuma, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. F. Aksu, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 april 2026.