ECLI:NL:RBDHA:2026:8574
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verlenging overdrachtstermijn Dublinprocedure wegens onderduiken vreemdeling
De minister verlengde de overdrachtstermijn van de vreemdeling aan Zwitserland op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening vanwege het onderduiken van de vreemdeling. De rechtbank behandelde het beroep op 7 april 2026 en sloot het onderzoek op die zitting.
De rechtbank oordeelt dat de vreemdeling doelbewust buiten het bereik van de autoriteiten is gebleven door niet aanwezig te zijn op het asielzoekerscentrum (AZC) op de dag van overdracht, ondanks dat hij was geïnformeerd over zijn verplichtingen tijdens het vertrekgesprek op 29 januari 2026. De vreemdeling stelde dat hij onwel werd en daarom niet op het AZC was, maar dit weerlegt de rechtbank omdat hij op eigen initiatief met zijn partner naar Schiphol ging en niet kon aantonen dat hij toestemming had om elders te verblijven.
De rechtbank concludeert dat de minister terecht de overdrachtstermijn heeft verlengd omdat de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken en niet beschikbaar was voor overdracht. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de vreemdeling krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn is ongegrond verklaard en de verlenging blijft in stand.