3.4.Bewijsoverwegingen
Inleiding
Op 2 januari 2025 heeft er omstreeks 23.42 uur in Delft een poging tot ontvoering van [slachtoffer 3] (verder: het slachtoffer) plaatsgevonden. Twee mannen, waarvan een met een wapen, zijn uit een bestelbus gekomen, hebben geweld tegen het slachtoffer gebruikt en hebben geprobeerd hem in de bestelbus te krijgen. Het slachtoffer heeft zich verzet. Een buurtbewoner die het incident zag gebeuren heeft uit het raam geroepen, onder meer dat hij 112 ging bellen. De bestelbus en de inzittenden zijn daarop weggereden zonder dat het is gelukt om het slachtoffer mee te nemen. Het slachtoffer heeft het kenteken van de bus kunnen onthouden. Korte tijd daarna, op 3 januari 2025 om 00.17 uur is de verdachte als bestuurder in de bestelbus met het door het slachtoffer opgegeven kenteken ( [kenteken] ) aangehouden.
Ter terechtzitting heeft de verdachte erkend dat hij de chauffeur van de bestelbus was en dat hij de bus heeft gehuurd om een criminele ‘klus’ uit te voeren. Aanvankelijk dacht hij drugs te moeten vervoeren, maar gaandeweg ontstond bij hem het vermoeden dat een heftiger plan – zoals een ontvoering – zou moeten worden uitgevoerd. Hij heeft echter slechts opgetreden als chauffeur en wist verder niets over het daadwerkelijke plan noch over het beoogde doelwit.
Betrokkenheid verdachte
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte medepleger is geweest bij de poging tot ontvoering van het slachtoffer en overweegt hiertoe als volgt.
Telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1] :
Op de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1] zijn chats aangetroffen die onmiskenbaar verband houden met de poging tot ontvoering van het slachtoffer op 2 januari 2025. Zo werd op 2 januari 2025 omstreeks 01.15 uur besproken dat meerdere personen op de locatie aanwezig moeten zijn, dat twee personen het doelwit onder schot moeten houden en dat twee hem moeten op te tillen. Uit de GPS-gegevens van de bestelbus met kenteken [kenteken] blijkt dat deze zich op dat moment op de Oliemolen te Delft bevond, op korte afstand van de plaats delict. Daarop aansluitend is in de telefoon een video van 01.17 uur aangetroffen, waarop een gevel is gefilmd die volledig overeenkomt met de gevel van de woning aan de [adres 2] . Verder is in de chats benoemd dat op de buitenkant van de auto waarin de gebruiker van de telefoon op dat moment zit, een QR-code en in het goud de letters van de verhuurservice staan en dat aan de zijkant een schuifdeur zit. Deze omschrijving komt overeen met het uiterlijk van de bestelbus met kenteken [kenteken] .
Het voorgaande brengt de rechtbank tot de tussenconclusie dat de gebruiker van de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1] zich in de nacht van 1 op 2 januari 2025 in de door de verdachte gehuurde bestelbus met kenteken [kenteken] bevond, in de nabijheid van de plaats delict, met het doel om iemand te ontvoeren.
Gebruiker van de telefoon:
Hoewel de telefoon aan medeverdachte [medeverdachte 1] toebehoorde, is de rechtbank – op grond van de hiernavolgende aanwijzingen – van oordeel dat het niet medeverdachte [medeverdachte 1] was die van de telefoon gebruik maakte.
Ten eerste wordt die ochtend in meerdere chats op Signal met de opdrachtgever van de ontvoering over iemand met de bijnaam “ [bijnaam 1] ” gesproken. Gebleken is dat medeverdachte [medeverdachte 1] (als enige van alle verdachten) in [bijnaam 1] woonachtig was. Ten tweede wordt in de chats gezegd dat ‘ [bijnaam 1] ” nerveus is, heeft overgegeven en in slaap was gevallen. Uit een Snapchatgesprek op 3 januari 2025 volgt dat medeverdachte [medeverdachte 1] had overgegeven en in slaap was gevallen. Ten slotte wordt in de chats gezegd dat “ [bijnaam 1] ” de volgende keer thuis moet worden gelaten. Uit het dossier blijkt dat medeverdachte [medeverdachte 1] de avond erop, toen de poging tot ontvoering werd uitgevoerd, niet aanwezig was. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat met “ [bijnaam 1] ” medeverdachte [medeverdachte 1] wordt bedoeld. Dat de gebruiker van de telefoon in de derde persoon naar medeverdachte [medeverdachte 1] verwijst, brengt de rechtbank tot de conclusie dat het niet [medeverdachte 1] zelf was die op dat moment van zijn telefoon gebruikmaakte.
De rechtbank is – op grond van de hiernavolgende aanwijzingen – van oordeel dat het de verdachte is geweest die in die nacht van de telefoon van [medeverdachte 1] gebruikmaakte.
Ten eerste heeft de gebruiker van de telefoon op 2 januari 2025 om 0.56 uur meerdere berichten naar een tegencontact gestuurd en daarbij vermeld dat hij “ [bijnaam 2] ” is en dat zijn eigen telefoon is uitgevallen. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat “ [bijnaam 2] ” één van zijn bijnamen is. Ten tweede is het chatgesprek op Signal met de opdrachtgever tien minuten nadat deze “ [bijnaam 2] ” naar het tegencontact heeft gestuurd “zeg die man voeg deze account” begonnen. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat de telefoon van de verdachte was uitgevallen en dat hij vervolgens de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1] heeft gebruikt, dat hij hiermee een bericht heeft gestuurd dat de opdrachtgever het Signal-account van medeverdachte [medeverdachte 1] moest toevoegen en dat de verdachte vervolgens met de telefoon en het Signal-account van medeverdachte [medeverdachte 1] het contact met de opdrachtgever heeft onderhouden.
Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte met de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1] in chats heeft gesproken met de opdrachtgever van de ontvoering. Zoals hiervoor al is geconcludeerd, volgt uit deze chats onmiskenbaar dat het plan was om iemand te ontvoeren. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte wel degelijk wetenschap had van het plan tot ontvoering en dat zijn rol groter was dan alleen chauffeur van de bus.
Chats van “ [alias] ”:
Het dossier bevat verder chats met de vermeende opdrachtgever van de ontvoering waarbij iemand met de naam “ [alias] ” betrokken is geweest. In deze chats zegt [alias] op 2 januari 2025 dat hij mensen gaat ophalen. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij inderdaad van dit telefoonnummer gebruikmaakte. In antwoord op de vraag of hij dan ook de gebruiker is van de naam “ [alias] ”, heeft de verdachte geantwoord dat dat dan wel zo zal zijn. De rechtbank concludeert, gelet op al het voorgaande, dat de chats van “ [alias] ” door de verdachte zijn gestuurd en dat het ophalen van anderen betrekking had op de uit te voeren ontvoering.
Verder stelt de rechtbank vast dat de verdachte de gebruikte bus heeft gehuurd en betaald.
Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank de verklaring van de verdachte dat hij alleen chauffeur zou zijn voor een klusje waarvan hij de aard niet kende, volstrekt ongeloofwaardig.
Medeplegen
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte het feit in vereniging heeft gepleegd, omdat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte, zijn (online) opdrachtgever en de in de bestelbus aanwezige medeverdachten. Uit de aangetroffen chats blijkt namelijk dat de verdachte bij zijn handelen werd aangestuurd door een (online) contactpersoon. Daarnaast blijkt van een zekere rolverdeling tussen de verdachten die ter plaatse waren.
Conclusie
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank het onder feit 1 (primair) ten laste gelegde medeplegen van een poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving bewezen.
Ten aanzien van feiten 2 en 3
Inleiding
De verdachte is op 10 augustus 2025 in Amsterdam, terwijl hij als host bij een café werkzaam was, bij een geweldsincident betrokken geweest. Dit incident is op camerabeelden vastgelegd. Kort gezegd bestond het incident eruit dat de verdachte eerst met [slachtoffer 1] (verder: [slachtoffer 1] ) in gevecht is geraakt en dat hij daarna, nadat [slachtoffer 1] buiten bewustzijn was geraakt en op de grond lag, met [slachtoffer 2] (verder: [slachtoffer 2] ) in gevecht is geraakt.
De verdachte heeft aangegeven het gevoel te hebben gehad dat hij zich moest verdedigen tegen de slachtoffers en meerdere mensen die voor zijn gevoel ook bij de slachtoffers hoorden.
De rechtbank dient te beoordelen of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan geweldplegingen tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en hoe het handelen van de verdachte in juridische zin dient te worden gekwalificeerd.
Geweld tegen [slachtoffer 1]
Uit de camerabeelden en de verklaring van de verdachte leidt de rechtbank het volgende af. De verdachte is met [slachtoffer 1] , een bezoeker van het café waar hij werkzaam is, in discussie geraakt, omdat deze met een flesje drinken het café had betreden. Deze discussie leidt er uiteindelijk toe dat de verdachte en [slachtoffer 1] met hun hoofden tegen elkaar aan staan. Vervolgens pakt de verdachte [slachtoffer 1] om zijn nek vast en brengt hij [slachtoffer 1] richting de grond. [slachtoffer 1] komt los uit die nekomarming. Daarna wordt er over en weer (mis) geslagen en geschopt en valt [slachtoffer 1] op de grond. De vechtpartij tussen de twee komt tot een eind doordat [slachtoffer 1] over een hek heen op de grond valt en de verdachte een trap geeft richting het hoofd van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] verliest door deze trap direct het bewustzijn, waaruit de rechtbank afleidt dat de trap het hoofd van [slachtoffer 1] heeft geraakt.
Poging doodslag of poging zware mishandeling?
De trap van de verdachte tegen het hoofd van [slachtoffer 1] is onder feit 2 ten laste gelegd als (primair) poging tot doodslag, dan wel (subsidiair) poging tot zware mishandeling. De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag en bewezen verklaren dat de verdachte de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling heeft begaan. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Schoppen tegen het hoofd kan dodelijk letsel opleveren. Of in een concreet geval een aanmerkelijke kans bestaat op het ontstaan van dergelijk letsel, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de kracht van het schoppen, of één keer of meerdere keren is geschopt, de precieze plek op het hoofd waartegen is geschopt en het soort schoenen waarmee is geschopt.
De verdachte heeft geweld gebruikt tegen [slachtoffer 1] dat onder meer bestond uit het schoppen tegen het hoofd van [slachtoffer 1] toen hij op de grond viel. Uit het dossier wordt niet duidelijk welke schoenen de verdachte op dat moment droeg en op welke precieze plek van het hoofd [slachtoffer 1] is geraakt. De geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer 1] houdt in dat hij aan de aanval een wond op het hoofd en een tand door zijn lip heeft overgehouden, maar niet uitgesloten kan worden dat dit letsel is ontstaan door het (met het hoofd) neerkomen op de grond of door een kort daarvoor gegeven rake vuistslag van de verdachte. Onder deze omstandigheden kan de rechtbank niet vaststellen dat door de schop van de verdachte tegen het hoofd van [slachtoffer 1] een aanmerkelijke kans op het toebrengen van dodelijk letsel aanwezig was.
De rechtbank is van oordeel dat er wél een aanmerkelijke kans bestond op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het handelen van de verdachte, bestaande uit het met geschoeide voet schoppen tegen het hoofd van [slachtoffer 1] , is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het ontstaan van dit letsel bewust heeft aanvaard.
Geweld tegen [slachtoffer 2]
Na de schop tegen het hoofd van [slachtoffer 1] , komt [slachtoffer 2] op de verdachte af en haalt hij naar hem uit. Er ontstaat tussen hen een schermutseling waarbij [slachtoffer 2] aan zijn hoofd lijkt te worden geraakt door een klap. Daarna is te zien op de camerabeelden dat [slachtoffer 2] zich achterwaarts beweegt, van de verdachte af, en de verdachte steeds voorwaarts in de richting van [slachtoffer 2] beweegt. De verdachte maakt hierbij trappende bewegingen naar [slachtoffer 2] . Eén trap, richting het hoofd van [slachtoffer 2] , mist en een andere trap raakt [slachtoffer 2] krachtig op zijn been.
Poging zware mishandeling of mishandeling?
Uit het voorgaande volgt dat de verdachte [slachtoffer 2] , voor zover aan hem ten laste is gelegd, éénmaal krachtig tegen het been heeft getrapt. Dit handelen vindt de rechtbank naar zijn uiterlijke verschijningsvorm niet zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het ontstaan van dit letsel bewust heeft aanvaard. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van de onder feit 3 (primair) ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. Het geven van een krachtige trap, waarbij vanzelfsprekend pijn is ontstaan, kwalificeert de rechtbank als mishandeling. De rechtbank zal daarom de onder feit 3 (subsidiair) ten laste gelegde mishandeling bewezen verklaren.