Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8575

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
09/001965-25 en 16/26846-22 (tul)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving en geweldpleging

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving op 2 januari 2025 in Delft, waarbij het slachtoffer onder dreiging van een vuurwapen werd aangevallen maar zich wist te verzetten. Verdachte was chauffeur van de bestelbus en gebruikte chats om het plan te coördineren, wat zijn actieve betrokkenheid aantoont.

Daarnaast is verdachte schuldig bevonden aan poging tot zware mishandeling van slachtoffer 1 en mishandeling van slachtoffer 2 op 10 augustus 2025 in Amsterdam, tijdens een incident waarbij hij als host bij een café werkte. De rechtbank sprak verdachte vrij van poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling van slachtoffer 2, maar verklaarde de subsidiaire feiten bewezen.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van achttien maanden op, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, rekening houdend met de ernst van de feiten, het strafblad en persoonlijke omstandigheden van verdachte. Tevens werden schadevergoedingen toegekend aan de slachtoffers, met wettelijke rente en proceskosten. De bijzondere voorwaarden en reclasseringstoezicht zijn dadelijk uitvoerbaar verklaard.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, voor medeplegen poging tot ontvoering en geweldpleging.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/001965-25 en 16/126846-22 (tul)
Datum uitspraak: 7 april 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 5 september 2025, 2 december 2025, 20 januari 2026 (alle pro forma) en 24 maart 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.M. Offers en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. O. Bolluijt naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 2 december 2025 – kort gezegd ten laste gelegd:
feit 1- primair: poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving, in vereniging gepleegd, op 2 januari 2025 in Delft;
- subsidiair: medeplichtigheid aan een poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving, in vereniging gepleegd, op 2 januari 2025 in Delft;
feit 2
- primair: poging tot doodslag op [slachtoffer 1] , gepleegd op 10 augustus 2025 in Amsterdam;
- subsidiair: poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] , gepleegd op 10 augustus 2025 in Amsterdam;
feit 3
- primair: poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2] , gepleegd op 10 augustus 2025 in Amsterdam;
- subsidiair: mishandeling van [slachtoffer 2] , gepleegd op 10 augustus 2025 in Amsterdam.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 (primair), feit 2 (primair) en feit 3 (primair) tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder feit 1 (primair), feit 2 (primair) en feit 3 (primair) tenlastegelegde bepleit.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van feit 1
Inleiding
Op 2 januari 2025 heeft er omstreeks 23.42 uur in Delft een poging tot ontvoering van [slachtoffer 3] (verder: het slachtoffer) plaatsgevonden. Twee mannen, waarvan een met een wapen, zijn uit een bestelbus gekomen, hebben geweld tegen het slachtoffer gebruikt en hebben geprobeerd hem in de bestelbus te krijgen. Het slachtoffer heeft zich verzet. Een buurtbewoner die het incident zag gebeuren heeft uit het raam geroepen, onder meer dat hij 112 ging bellen. De bestelbus en de inzittenden zijn daarop weggereden zonder dat het is gelukt om het slachtoffer mee te nemen. Het slachtoffer heeft het kenteken van de bus kunnen onthouden. Korte tijd daarna, op 3 januari 2025 om 00.17 uur is de verdachte als bestuurder in de bestelbus met het door het slachtoffer opgegeven kenteken ( [kenteken] ) aangehouden.
Ter terechtzitting heeft de verdachte erkend dat hij de chauffeur van de bestelbus was en dat hij de bus heeft gehuurd om een criminele ‘klus’ uit te voeren. Aanvankelijk dacht hij drugs te moeten vervoeren, maar gaandeweg ontstond bij hem het vermoeden dat een heftiger plan – zoals een ontvoering – zou moeten worden uitgevoerd. Hij heeft echter slechts opgetreden als chauffeur en wist verder niets over het daadwerkelijke plan noch over het beoogde doelwit.
Betrokkenheid verdachte
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte medepleger is geweest bij de poging tot ontvoering van het slachtoffer en overweegt hiertoe als volgt.
Telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1] :
Op de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1] zijn chats aangetroffen die onmiskenbaar verband houden met de poging tot ontvoering van het slachtoffer op 2 januari 2025. Zo werd op 2 januari 2025 omstreeks 01.15 uur besproken dat meerdere personen op de locatie aanwezig moeten zijn, dat twee personen het doelwit onder schot moeten houden en dat twee hem moeten op te tillen. Uit de GPS-gegevens van de bestelbus met kenteken [kenteken] blijkt dat deze zich op dat moment op de Oliemolen te Delft bevond, op korte afstand van de plaats delict. Daarop aansluitend is in de telefoon een video van 01.17 uur aangetroffen, waarop een gevel is gefilmd die volledig overeenkomt met de gevel van de woning aan de [adres 2] . Verder is in de chats benoemd dat op de buitenkant van de auto waarin de gebruiker van de telefoon op dat moment zit, een QR-code en in het goud de letters van de verhuurservice staan en dat aan de zijkant een schuifdeur zit. Deze omschrijving komt overeen met het uiterlijk van de bestelbus met kenteken [kenteken] .
Het voorgaande brengt de rechtbank tot de tussenconclusie dat de gebruiker van de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1] zich in de nacht van 1 op 2 januari 2025 in de door de verdachte gehuurde bestelbus met kenteken [kenteken] bevond, in de nabijheid van de plaats delict, met het doel om iemand te ontvoeren.
Gebruiker van de telefoon:
Hoewel de telefoon aan medeverdachte [medeverdachte 1] toebehoorde, is de rechtbank – op grond van de hiernavolgende aanwijzingen – van oordeel dat het niet medeverdachte [medeverdachte 1] was die van de telefoon gebruik maakte.
Ten eerste wordt die ochtend in meerdere chats op Signal met de opdrachtgever van de ontvoering over iemand met de bijnaam “ [bijnaam 1] ” gesproken. Gebleken is dat medeverdachte [medeverdachte 1] (als enige van alle verdachten) in [bijnaam 1] woonachtig was. Ten tweede wordt in de chats gezegd dat ‘ [bijnaam 1] ” nerveus is, heeft overgegeven en in slaap was gevallen. Uit een Snapchatgesprek op 3 januari 2025 volgt dat medeverdachte [medeverdachte 1] had overgegeven en in slaap was gevallen. Ten slotte wordt in de chats gezegd dat “ [bijnaam 1] ” de volgende keer thuis moet worden gelaten. Uit het dossier blijkt dat medeverdachte [medeverdachte 1] de avond erop, toen de poging tot ontvoering werd uitgevoerd, niet aanwezig was. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat met “ [bijnaam 1] ” medeverdachte [medeverdachte 1] wordt bedoeld. Dat de gebruiker van de telefoon in de derde persoon naar medeverdachte [medeverdachte 1] verwijst, brengt de rechtbank tot de conclusie dat het niet [medeverdachte 1] zelf was die op dat moment van zijn telefoon gebruikmaakte.
De rechtbank is – op grond van de hiernavolgende aanwijzingen – van oordeel dat het de verdachte is geweest die in die nacht van de telefoon van [medeverdachte 1] gebruikmaakte.
Ten eerste heeft de gebruiker van de telefoon op 2 januari 2025 om 0.56 uur meerdere berichten naar een tegencontact gestuurd en daarbij vermeld dat hij “ [bijnaam 2] ” is en dat zijn eigen telefoon is uitgevallen. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat “ [bijnaam 2] ” één van zijn bijnamen is. Ten tweede is het chatgesprek op Signal met de opdrachtgever tien minuten nadat deze “ [bijnaam 2] ” naar het tegencontact heeft gestuurd “zeg die man voeg deze account” begonnen. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat de telefoon van de verdachte was uitgevallen en dat hij vervolgens de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1] heeft gebruikt, dat hij hiermee een bericht heeft gestuurd dat de opdrachtgever het Signal-account van medeverdachte [medeverdachte 1] moest toevoegen en dat de verdachte vervolgens met de telefoon en het Signal-account van medeverdachte [medeverdachte 1] het contact met de opdrachtgever heeft onderhouden.
Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte met de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1] in chats heeft gesproken met de opdrachtgever van de ontvoering. Zoals hiervoor al is geconcludeerd, volgt uit deze chats onmiskenbaar dat het plan was om iemand te ontvoeren. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte wel degelijk wetenschap had van het plan tot ontvoering en dat zijn rol groter was dan alleen chauffeur van de bus.
Chats van “ [alias] ”:
Het dossier bevat verder chats met de vermeende opdrachtgever van de ontvoering waarbij iemand met de naam “ [alias] ” betrokken is geweest. In deze chats zegt [alias] op 2 januari 2025 dat hij mensen gaat ophalen. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij inderdaad van dit telefoonnummer gebruikmaakte. In antwoord op de vraag of hij dan ook de gebruiker is van de naam “ [alias] ”, heeft de verdachte geantwoord dat dat dan wel zo zal zijn. De rechtbank concludeert, gelet op al het voorgaande, dat de chats van “ [alias] ” door de verdachte zijn gestuurd en dat het ophalen van anderen betrekking had op de uit te voeren ontvoering.
Verder stelt de rechtbank vast dat de verdachte de gebruikte bus heeft gehuurd en betaald.
Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank de verklaring van de verdachte dat hij alleen chauffeur zou zijn voor een klusje waarvan hij de aard niet kende, volstrekt ongeloofwaardig.
Medeplegen
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte het feit in vereniging heeft gepleegd, omdat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte, zijn (online) opdrachtgever en de in de bestelbus aanwezige medeverdachten. Uit de aangetroffen chats blijkt namelijk dat de verdachte bij zijn handelen werd aangestuurd door een (online) contactpersoon. Daarnaast blijkt van een zekere rolverdeling tussen de verdachten die ter plaatse waren.
Conclusie
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank het onder feit 1 (primair) ten laste gelegde medeplegen van een poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving bewezen.
Ten aanzien van feiten 2 en 3
Inleiding
De verdachte is op 10 augustus 2025 in Amsterdam, terwijl hij als host bij een café werkzaam was, bij een geweldsincident betrokken geweest. Dit incident is op camerabeelden vastgelegd. Kort gezegd bestond het incident eruit dat de verdachte eerst met [slachtoffer 1] (verder: [slachtoffer 1] ) in gevecht is geraakt en dat hij daarna, nadat [slachtoffer 1] buiten bewustzijn was geraakt en op de grond lag, met [slachtoffer 2] (verder: [slachtoffer 2] ) in gevecht is geraakt.
De verdachte heeft aangegeven het gevoel te hebben gehad dat hij zich moest verdedigen tegen de slachtoffers en meerdere mensen die voor zijn gevoel ook bij de slachtoffers hoorden.
De rechtbank dient te beoordelen of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan geweldplegingen tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en hoe het handelen van de verdachte in juridische zin dient te worden gekwalificeerd.
Geweld tegen [slachtoffer 1]
Uit de camerabeelden en de verklaring van de verdachte leidt de rechtbank het volgende af. De verdachte is met [slachtoffer 1] , een bezoeker van het café waar hij werkzaam is, in discussie geraakt, omdat deze met een flesje drinken het café had betreden. Deze discussie leidt er uiteindelijk toe dat de verdachte en [slachtoffer 1] met hun hoofden tegen elkaar aan staan. Vervolgens pakt de verdachte [slachtoffer 1] om zijn nek vast en brengt hij [slachtoffer 1] richting de grond. [slachtoffer 1] komt los uit die nekomarming. Daarna wordt er over en weer (mis) geslagen en geschopt en valt [slachtoffer 1] op de grond. De vechtpartij tussen de twee komt tot een eind doordat [slachtoffer 1] over een hek heen op de grond valt en de verdachte een trap geeft richting het hoofd van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] verliest door deze trap direct het bewustzijn, waaruit de rechtbank afleidt dat de trap het hoofd van [slachtoffer 1] heeft geraakt.
Poging doodslag of poging zware mishandeling?
De trap van de verdachte tegen het hoofd van [slachtoffer 1] is onder feit 2 ten laste gelegd als (primair) poging tot doodslag, dan wel (subsidiair) poging tot zware mishandeling. De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag en bewezen verklaren dat de verdachte de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling heeft begaan. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Schoppen tegen het hoofd kan dodelijk letsel opleveren. Of in een concreet geval een aanmerkelijke kans bestaat op het ontstaan van dergelijk letsel, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de kracht van het schoppen, of één keer of meerdere keren is geschopt, de precieze plek op het hoofd waartegen is geschopt en het soort schoenen waarmee is geschopt.
De verdachte heeft geweld gebruikt tegen [slachtoffer 1] dat onder meer bestond uit het schoppen tegen het hoofd van [slachtoffer 1] toen hij op de grond viel. Uit het dossier wordt niet duidelijk welke schoenen de verdachte op dat moment droeg en op welke precieze plek van het hoofd [slachtoffer 1] is geraakt. De geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer 1] houdt in dat hij aan de aanval een wond op het hoofd en een tand door zijn lip heeft overgehouden, maar niet uitgesloten kan worden dat dit letsel is ontstaan door het (met het hoofd) neerkomen op de grond of door een kort daarvoor gegeven rake vuistslag van de verdachte. Onder deze omstandigheden kan de rechtbank niet vaststellen dat door de schop van de verdachte tegen het hoofd van [slachtoffer 1] een aanmerkelijke kans op het toebrengen van dodelijk letsel aanwezig was.
De rechtbank is van oordeel dat er wél een aanmerkelijke kans bestond op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het handelen van de verdachte, bestaande uit het met geschoeide voet schoppen tegen het hoofd van [slachtoffer 1] , is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het ontstaan van dit letsel bewust heeft aanvaard.
Geweld tegen [slachtoffer 2]
Na de schop tegen het hoofd van [slachtoffer 1] , komt [slachtoffer 2] op de verdachte af en haalt hij naar hem uit. Er ontstaat tussen hen een schermutseling waarbij [slachtoffer 2] aan zijn hoofd lijkt te worden geraakt door een klap. Daarna is te zien op de camerabeelden dat [slachtoffer 2] zich achterwaarts beweegt, van de verdachte af, en de verdachte steeds voorwaarts in de richting van [slachtoffer 2] beweegt. De verdachte maakt hierbij trappende bewegingen naar [slachtoffer 2] . Eén trap, richting het hoofd van [slachtoffer 2] , mist en een andere trap raakt [slachtoffer 2] krachtig op zijn been.
Poging zware mishandeling of mishandeling?
Uit het voorgaande volgt dat de verdachte [slachtoffer 2] , voor zover aan hem ten laste is gelegd, éénmaal krachtig tegen het been heeft getrapt. Dit handelen vindt de rechtbank naar zijn uiterlijke verschijningsvorm niet zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het ontstaan van dit letsel bewust heeft aanvaard. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van de onder feit 3 (primair) ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. Het geven van een krachtige trap, waarbij vanzelfsprekend pijn is ontstaan, kwalificeert de rechtbank als mishandeling. De rechtbank zal daarom de onder feit 3 (subsidiair) ten laste gelegde mishandeling bewezen verklaren.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder feit 1 (primair), feit 2 (subsidiair) en feit 3 (subsidiair) ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 2 januari 2025 te Delft, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 3] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven,
- met een busje aan zijn komen rijden en
- hebben geprobeerd die [slachtoffer 3] in dat busje te trekken en
- die [slachtoffer 3] hebben gezegd dat hij moest instappen en
- die [slachtoffer 3] hebben geslagen met een vuurwapen en
- die [slachtoffer 3] hebben geslagen en met hem hebben geworsteld
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op 10 augustus 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
éénmaaltegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3
hij op 10 augustus 2025 te Amsterdam [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door
éénmaaltegen het lichaam van die [slachtoffer 2] te schoppen.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om, in geval van oplegging van een gevangenisstraf, een onvoorwaardelijk strafdeel op te leggen dat gelijk is aan de tijd die reeds door de verdachte in voorarrest is doorgebracht.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich ten eerste schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving. Hiertoe heeft de verdachte samen met anderen het slachtoffer onder dreiging van een vuurwapen ’s nachts op straat aangevallen, waardoor hij letsel aan zijn hoofd heeft opgelopen. Uit de in de bestelbus aangetroffen tiewraps en de in telefoons aangetroffen chats leidt de rechtbank af dat het doelwit hardhandig van zijn vrijheid moest worden beroofd en mogelijk zelfs zou worden gemarteld. Dat het hier uiteindelijk niet toe is gekomen, valt enkel te wijten aan het verzet van het slachtoffer en de oplettendheid van een buurtbewoner. Een dergelijke brutale en gewelddadige aanval in het donker op straat leidt tot grote gevoelens van onveiligheid bij het slachtoffer als ook bij omstanders en buurtbewoners.
De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij bereid is gebleken voor een geldelijke beloning een ernstig misdrijf als een wederrechtelijke vrijheidsberoving te plegen.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en een mishandeling. Hoewel de verdachte die avond aan de deur bij een café als host werkzaam was om een prettig cafébezoek te bevorderen, heeft juist hij voor een uitbarsting van geweld gezorgd tegen twee cafébezoekers. Juist van iemand die in het uitgaansleven werkzaam is, mag worden verwacht dat hij op een de-escalerende manier met uitgaanspubliek, waaronder ook recalcitrant en dronken publiek, weet om te gaan. De verdachte heeft echter het compleet tegenovergestelde gedaan door de slachtoffers tegen het hoofd en het been te trappen. Daarmee heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en hun gevoel van veiligheid aangetast. Ook op de omstanders heeft dit impact.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 4 september 2025, waaruit blijkt dat de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het plegen van het feit voor geweldsdelicten is veroordeeld. De rechtbank weegt dit in het nadeel van de verdachte mee. Daarnaast blijkt uit het strafblad dat de verdachte op 11 april 2025 in verband met een andere strafzaak onherroepelijk is veroordeeld, waardoor artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van meerdere reclasseringsadviezen over de verdachte, waarvan de meest recente op 12 november 2025 is uitgebracht. Daaruit volgt dat sprake is van emotie-, agressieregulatie- en impulsiviteitsproblematiek en van een gemiddeld recidiverisico. De reclassering adviseert om bij veroordeling van de verdachte het volwassenenstrafrecht toe te passen en hem een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden – te weten een meldplicht, ambulante behandeling, een contactverbod, een locatieverbod (met elektronische monitoring), een locatiegebod (met elektronische monitoring), dagbesteding, het meewerken aan middelencontrole, een verbod op bepaalde werkzaamheden, het geven van inzage in financiën en het geven van inzage in sociale contacten – op te leggen. Daarbij is geadviseerd om deze voorwaarden en het bijbehorende reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Tot slot komt naar voren dat een gevangenisstraf (negatieve) consequenties kan hebben voor het vaderschap van de verdachte, omdat hij minder in staat zal zijn een band te ontwikkelen met zijn pasgeboren zoontje en zijn partner niet in de opvoeding kan ondersteunen.
Vergelijkbare zaken en LOVS-oriëntatiepunten
In de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting is geen oriëntatiepunt opgenomen voor een ontvoering. De rechtbank heeft ter oriëntatie gekeken naar andere zaken waarin sprake is van geplande ontvoeringen in het criminele circuit. Daarin worden onvoorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd van een fors aantal maanden of soms jaren.
Voor zware mishandeling, waarbij tegen het hoofd is geschopt, geldt volgens de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden als uitgangspunt. Omdat van een poging sprake is geweest, neemt de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden als uitgangspunt.
De landelijke oriëntatiepunten voor een mishandeling, een hoge geldboete, acht de rechtbank gelet op de context van het geweld en het strafblad van de verdachte in casu geen passend uitgangspunt.
De op te leggen straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van achttien maanden, met aftrek van de tijd reeds in voorarrest doorgebracht, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren passend en geboden.
De rechtbank acht een voorwaardelijke strafdeel passend om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en een kader te bieden voor hulp aan de verdachte door de reclassering. De rechtbank kiest hierbij voor een proeftijd van drie jaar, omdat sprake is van een jeugdige verdachte die naar het oordeel van de rechtbank bij langdurige begeleiding gebaat is. De rechtbank zal de voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd – met uitzondering van het contactverbod en het locatieverbod – als bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijk strafdeel verbinden. Het locatieverbod zal de rechtbank niet opleggen, omdat de rechtbank – gelet op de aard van de feiten – niet inziet hoe dit het recidiverisico zou kunnen inperken. Het door de reclassering geadviseerde contactverbod met de medeverdachten zal de rechtbank niet opleggen als bijzondere voorwaarde omdat de rechtbank geen aanleiding heeft te veronderstellen dat de verdachte verder contact heeft, wil of zal hebben met de medeverdachten.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Uit het voorgaande blijkt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere misdrijven die gericht zijn tegen de ontastbaarheid van het lichaam. Gelet op de aard van de feiten, het strafblad van de verdachte, en zijn emotie-, agressieregulatie- en impulsiviteitsproblematiek, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal worden bevolen dat de door de rechtbank opgelegde bijzondere voorwaarden en het bijbehorende reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 3] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [benadeelde] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces.
[slachtoffer 3] vordert een schadevergoeding van € 2.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
[slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 9.809,65, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 3.809,65 aan materiële schade en € 6.000,- aan immateriële schade.
[slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 4.615, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 290,- aan materiële schade en € 4.325,- aan immateriële schade.
[benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 475,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen over de toewijsbaarheid van de vorderingen van [slachtoffer 3] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Ten aanzien van de vordering van [benadeelde] heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft het volgende bepleit.
Ten aanzien van [slachtoffer 3] :
- afwijzing dan wel niet-ontvankelijkverklaring van de vordering, of – in geval van toewijzing – het toe te wijzen bedrag tot hoogstens € 350,- (per verdachte) te matigen;
ten aanzien van [slachtoffer 1] :
- afwijzing dan wel niet-ontvankelijkverklaring van de vordering voor wat betreft de materiële schadeposten met betrekking tot de kleding, het horloge, de zonnebril en de gederfde inkomsten, en toewijzing van de immateriële schade tot een bedrag van hoogstens € 1.000,-;
ten aanzien van [slachtoffer 2] :
- afwijzing van de taxikosten, afwijzing dan wel niet-ontvankelijkverklaring van de vordering voor wat betreft de kledingkosten, en afwijzing dan wel niet-ontvankelijkverklaring van de vordering voor wat betreft de immateriële schade, of – in geval van toewijzing – de toe te wijzen immateriële schade te matigen tot hoogstens € 350,-;
ten aanzien van [benadeelde] :
- afwijzing dan wel niet-ontvankelijkverklaring van de vordering.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
7.3.1.
De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 3]
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. Door de aanval heeft het slachtoffer letsel aan zijn hoofd opgelopen. Het psychische letsel is voldoende onderbouwd. Gelet hierop bestaat naar het oordeel van de rechtbank recht op smartengeld op grond van artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek, op de grond dat er sprake is van lichamelijk letsel en een aantasting van de persoon op andere wijze.
De rechtbank ziet gelet op de ernst van de aantasting van de persoon en de toelichting op de vordering ter terechtzitting reden de gevorderde immateriële schade toe te wijzen.
Toe te wijzen bedrag
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 2.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 januari 2025. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Proceskosten
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Voorts geldt dat de verdachte, voor zover de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij hebben betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder feit 1 (primair) bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.500,-, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 januari 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 3] .
7.3.2.
De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1]
Materiële schade
De vordering is op het punt van de medische kosten, de tandheelkundige kosten en de taxikosten namens de verdachte niet betwist en naar het oordeel van de rechtbank namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. De rechtbank vindt verder voldoende onderbouwd dat de kleding van de benadeelde partij is beschadigd en met bloed besmeurd, waardoor deze niet meer kon worden hersteld. De kosten van de kleding vindt de rechtbank ook voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks deze materiële schade heeft geleden door het onder feit 2 (subsidiair) bewezen verklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag van € 548,65. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering verklaren voor wat betreft de zonnebril, het horloge en de gederfde inkomsten, omdat dit deel van de vordering namens de verdachte (gemotiveerd) is betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering, zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan deze schade slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder feit 2 (subsidiair) bewezen verklaarde feit. De verdachte heeft de benadeelde partij tijdens een vechtpartij tegen zijn hoofd getrapt, waardoor hij bewusteloos is geraakt en aanzienlijk hoofdletsel heeft opgelopen. Gelet hierop bestaat naar het oordeel van de rechtbank recht op smartengeld op grond van artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek, op de grond dat er sprake is van lichamelijk letsel en een aantasting van de persoon op andere wijze.
Gelet op wat ter terechtzitting namens de benadeelde partij en door de verdediging is aangevoerd, en gelet op de in de Rotterdamse Schaal genoemde schadebedragen, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 5.000,-. Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering worden verklaard.
Toe te wijzen bedrag
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 5.548,65, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2025. Dit bedrag bestaat uit € 548,65 aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder feit 2 (subsidiair) bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 5.546,65, bestaande uit € 548,65 aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 1] .
7.3.3.
De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2]
Materiële schade
De vordering is op het punt van de kledingkosten naar het oordeel van de rechtbank namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. De benadeelde partij heeft onderbouwd dat door het geweld zijn t-shirt met bloed is besmeurd en als verloren moest worden beschouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks deze materiële schade heeft geleden door het onder feit 3 (subsidiair) bewezen verklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag van € 130,-. De rechtbank zal de vordering op het punt van de taxikosten afwijzen, omdat vergoeding van deze kosten reeds onder de vordering van [slachtoffer 1] is toegewezen.
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder feit 3 (subsidiair) bewezen verklaarde feit. De verdachte heeft de benadeelde partij tijdens een vechtpartij tegen zijn been getrapt. Gelet hierop bestaat naar het oordeel van de rechtbank recht op smartengeld op grond van artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek, op de grond dat er sprake is van lichamelijk letsel en een aantasting van de persoon op andere wijze.
Gelet op wat ter terechtzitting namens de benadeelde partij en door de verdediging is aangevoerd, en gelet op de in de Rotterdamse Schaal genoemde schadebedragen, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1.000,-. Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering worden verklaard.
Toe te wijzen bedrag
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 1.130,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2025. Dit bedrag bestaat uit € 130,- aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder feit 3 (subsidiair) bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.130,-, bestaande uit € 130,- aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 2] .
7.3.4.
De vordering van benadeelde partij [benadeelde]
Niet-ontvankelijkverklaring
De vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan niet worden vastgesteld of en hoe de benadeelde partij de zonnebril heeft verloren. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering, zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan deze schade slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Proceskosten
Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering wordt verklaard, zal de rechtbank de kosten van de procespartijen compenseren in die zin dat elke partij haar eigen kosten draagt.

8.De vordering tot tenuitvoerlegging

8.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 22 augustus 2025 gevorderd dat de bij parketnummer 16/126846-22 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank te Lelystad op 4 oktober 2022 voorwaardelijke opgelegde straf, te weten een jeugddetentie van vier maanden, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om afwijzing van de vordering.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 22 augustus 2025 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank te Lelystad d.d. 4 oktober 2022, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarden niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 57, 60a, 63, 282, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder feit 2 (primair) en feit 3 (primair) ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder feit 1 (primair), feit 2 (subsidiair) en feit 3 (subsidiair) ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1 (primair):
medeplegen van poging tot iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven;
ten aanzien van feit 2 (subsidiair):
poging tot zware mishandeling;
ten aanzien van feit 3 (subsidiair):
mishandeling;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
18 (ACHTTIEN) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, te weten 312 dagen, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
3 (drie) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegdonder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
drie jarenvastgestelde
proeftijdniet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
Meldplicht
- zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland (adres: Middendreef 293, 8233 GT Lelystad) op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;
Ambulante behandeling
- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van polikliniek De Waag Almere of een soortgelijke zorginstelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, zolang de reclassering dat noodzakelijk acht. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
Locatiegebod
- gedurende de proeftijd op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op de navolgende locatie: [adres 1] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij de veroordeelde zich onder elektronisch toezicht stelt ter nakoming van deze bijzondere voorwaarde. Een andere locatie is enkel mogelijk als de reclassering daar toestemming voor geeft. De veroordeelde gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering;
Dagbesteding
- zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van betaald werk met een vaste structuur;
Meewerken aan middelencontroles
- gedurende de proeftijd meewerkt aan middelencontroles om zicht te krijgen op het gebruik van alcohol en drugs, zo frequent als en op de wijzen die de reclassering noodzakelijk acht;
Verbod op bepaalde werkzaamheden
- gedurende de proeftijd niet werkt als host, portier, toezichthouder of een vergelijkbare functie in het uitgaansleven, zolang het openbaar ministerie dit noodzakelijk acht;
Inzage in financiën
- gedurende de proeftijd de reclassering inzicht geeft in zijn financiën;
Inzage in sociale contacten
- gedurende de proeftijd reclassering inzicht geeft in zijn sociale contacten;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe tot een bedrag van € 2.500,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 2 januari 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer 3] ;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij [slachtoffer 3] , begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 januari 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 3] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald,
gijzelingzal worden toegepast voor de duur van
25 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als een van de mededaders de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] deels toe tot een bedrag van € 5.548,65 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 10 augustus 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer 1] ;
bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.548,65, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 augustus 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 1] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald,
gijzelingzal worden toegepast voor de duur van
52 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] deels toe tot een bedrag van € 1.130,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 10 augustus 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer 2] ;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] af tot een bedrag van € 160,-;
bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.130,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 augustus 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 2] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald,
gijzelingzal worden toegepast voor de duur van
11 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde] en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoedingen deels of geheel aan de benadeelde partijen heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte de toegewezen bedragen deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partijen te betalen;
gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de rechtbank te Lelystad d.d. 4 oktober 2022, gewezen onder parketnummer 16/126846-22, te weten
een jeugddetentie voor de duur van 4 (vier) maanden.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Schaaf, voorzitter,
mr. drs. H.M. Braam, rechter,
mr. A. Dantuma, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. F. Aksu, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 april 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte is -
na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 2 december 2025- ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 2 januari 2025 te Delft, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 3] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en/of beroofd te houden,
- met een busje aan is/zijn komen rijden en/of
- heeft/hebben geprobeerd die [slachtoffer 3] in dat busje te trekken en/of
- die [slachtoffer 3] heeft/hebben gezegd dat hij moest instappen en/of
- die [slachtoffer 3] heeft/hebben geslagen met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, althans een voorwerp en/of
- en/of die [slachtoffer 3] heeft/hebben geslagen en/of met hem heeft/hebben geworsteld/gevochten
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
NN, en/of [medeverdachte 2] en/of een ander of anderen dan verdachte op of omstreeks 2 januari 2025 te Delft, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door NN en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer anderen en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 3] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en/of beroofd te houden,
- met een busje aan is/zijn komen rijden en/of
- heeft/hebben geprobeerd die [slachtoffer 3] in dat busje te trekken en/of
- die [slachtoffer 3] heeft/hebben gezegd dat hij moest instappen en/of
- die [slachtoffer 3] heeft/hebben geslagen met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, althans een voorwerp en/of
- en/of die [slachtoffer 3] heeft/hebben geslagen en/of met hem heeft/hebben geworsteld/gevochten
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 2 januari 2025 te Delft en/of Almere, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door een bus te huren en/of als chauffeur op te treden;
2
hij op of omstreeks
10 augustus 2025te Amsterdam, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] van het leven te beroven, één of meermalen tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geschopt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks
10 augustus 2025te Amsterdam, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen één of meermalen tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geschopt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3
hij op of omstreeks
10 augustus 2025te Amsterdam, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen één of meermalen tegen het lichaam en/of het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks
10 augustus 2025te Amsterdam, althans in Nederland [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door één of meermalen tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] te schoppen.