Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8613

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
09/187006-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voorbereiding wederrechtelijke vrijheidsberoving met tiewraps en bestelbus

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor de voorbereiding van wederrechtelijke vrijheidsberoving op 2 januari 2025 in Delft. Verdachte had samen met anderen de opdracht aangenomen om iemand te ontvoeren en had onder meer tiewraps geprepareerd om het slachtoffer in een bestelbus in bedwang te houden. Hoewel het slachtoffer niet werd ontvoerd, is het feit wettig en overtuigend bewezen verklaard.

Tijdens de terechtzittingen op 25 september 2025, 2 december 2025 en 24 maart 2026 is het bewijs besproken, waaronder verklaringen, forensisch onderzoek en chatberichten. Verdachte heeft het primair ten laste gelegde feit bekend. De rechtbank weegt mee dat verdachte een strafblad heeft met eerdere geweldsdelicten en een hoog recidiverisico vanwege middelenproblematiek.

De rechtbank legt een gevangenisstraf van 180 dagen op, waarvan 79 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en een taakstraf van 180 uur. De straf is gematigd vanwege de persoonlijke omstandigheden en de bereidheid van verdachte tot behandeling en reclasseringstoezicht. De vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer wordt afgewezen omdat geen directe immateriële schade door verdachte is vastgesteld.

De strafvoorwaarden omvatten onder meer meldplicht, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen, dagbesteding, schuldhulpverlening en middelencontrole. De rechtbank acht deze voorwaarden noodzakelijk voor het afbouwen van middelengebruik en het bevorderen van een gestructureerd leven.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 180 dagen gevangenisstraf (waarvan 79 voorwaardelijk) en 180 uur taakstraf voor voorbereiding van wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/187006-25
Datum uitspraak: 7 april 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 25 september 2025 (pro forma), 2 december 2025 (regie) en 24 maart 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.M. Offers en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. S. Faber naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is
-na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 24 maart 2026 – kort gezegd ten laste gelegd:
primair
voorbereiding van wederrechtelijke vrijheidsberoving, in vereniging gepleegd, op 2 januari 2025 in Delft;
subsidiair
medeplichtigheid aan poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving, in vereniging gepleegd, op 2 januari 2025 in Delft.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor het (primair) ten laste gelegde feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het onderzoeksnummer DH5R025002 van de politie eenheid Den Haag, district Westland - Delft, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 829).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 24 maart 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , opgemaakt op 3 januari 2025 (p. 12-14);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 27 maart 2025 (p. 419-445);
4. Het proces-verbaal van forensisch onderzoek, opgemaakt op 29 januari 2025 (p. 244-250);
5. Het proces-verbaal van vooronderzoek lab, opgemaakt op 15 januari 2025 (p. 297-299);
6. Een geschrift, te weten het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) van 27 januari 2025 met zaaknummer 2025.01.16.104 (aanvraag 001), (apart genummerd, p. 1-5);
7. Een geschrift, te weten het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) van 10 maart 2025 met zaaknummer 2025.01.16.130 (aanvraag 001 en 002), (apart genummerd, p. 1-10).
3.2.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het (primair) ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 2 januari 2025 (’s ochtends) in Nederland
,tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten wederrechtelijke vrijheidsberoving
,opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten geprepareerde
tiewraps,een mobiele telefoon (waarop gechat werd over dit voorgenomen misdrijf) en een bus
,bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit om een gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, op te leggen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de voorbereiding van wederrechtelijke vrijheidsberoving. Hij heeft voor een financiële beloning de opdracht aangenomen om een hem onbekend persoon te ontvoeren. Hiertoe heeft de verdachte, samen met anderen, urenlang in een bestelbus gezeten in afwachting van het moment dat het slachtoffer, dat uiteindelijk niet het beoogde doelwit bleek te zijn, langs zou lopen. De rol van verdachte was om het slachtoffer in bedwang en onder controle te houden, nadat hij in de bus zou zijn getrokken door de anderen. Voor de uitvoering van die taak heeft de verdachte onder meer tiewraps gereed gelegd. Het slachtoffer kwam echter niet voorbij lopen in de uren dat de verdachte samen met de anderen zat te wachten in de bus. Op een later tijdstip is opnieuw geprobeerd het slachtoffer te ontvoeren, een poging die door het handelen van het slachtoffer en een omstander is verijdeld. Uit het dossier is niet gebleken dat de verdachte daar ook bij was.
De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij bereid is gebleken voor een geldelijke beloning een ernstig misdrijf als een wederrechtelijke vrijheidsberoving te plegen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 21 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het plegen van het feit voor geweldsdelicten is veroordeeld. De rechtbank weegt dit in het nadeel van de verdachte mee. Daarnaast blijkt uit het strafblad dat de verdachte op 10 april 2025 in verband met een andere strafzaak onherroepelijk is veroordeeld, waardoor artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van meerdere reclasseringsadviezen over de verdachte, waarvan de meest recente op 9 maart 2026 is uitgebracht. Daaruit volgt dat sprake is van middelenproblematiek en van een hoog recidiverisico. De reclassering adviseert om bij veroordeling van de verdachte het volwassenenstrafrecht toe te passen en hem een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden – te weten een meldplicht, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een contactverbod, dagbesteding, het meewerken aan het aflossen van schulden en beheersing van middelengebruik – op te leggen.
Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij baat denkt te hebben bij reclasseringstoezicht en dat hij bereid is zich aan de voornoemde voorwaarden te houden.
Ook weegt de rechtbank in de bepaling van de straf mee dat de verdachte (uiteindelijk) ter zitting meer openheid heeft gegeven over hoe en waarom hij betrokken is geraakt bij het feit.
Vergelijkbare zaken en LOVS-oriëntatiepunten
In de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting is geen oriëntatiepunt opgenomen voor een ontvoering. De rechtbank heeft ter oriëntatie gekeken naar andere zaken waarin sprake is van geplande ontvoeringen in het criminele circuit. Daarin worden onvoorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd van een fors aantal maanden of soms jaren.
De op te leggen straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat in beginsel niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank acht het – gelet op de persoon en de houding van de verdachte – aangewezen om een straf op te leggen die geen verdere vrijheidsbeneming van de verdachte met zich brengt.
Alles afwegende vindt de rechtbank passend en geboden een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 79 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van het aantal dagen dat de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, en daarnaast een taakstraf van 180 uur.
De rechtbank acht een proeftijd van drie jaar aangewezen, omdat sprake is van een jeugdige verdachte die naar het oordeel van de rechtbank gebaat is bij langdurige begeleiding voor het afbouwen van zijn afhankelijkheid van verdovende middelen en het opbouwen van een gestructureerd leven met een positief sociaal netwerk. De rechtbank neemt de voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd over als bijzondere voorwaarden bij het voorwaardelijk strafdeel. Daarvan uitgezonderd is het contactverbod met de medeverdachten, omdat de rechtbank geen aanleiding heeft te veronderstellen dat de verdachte verder contact heeft, wil of zal hebben met de medeverdachten.

7.De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen over de toewijsbaarheid van de vordering.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de vordering af te wijzen, omdat de verdachte niet bij het op de benadeelde partij toegepaste geweld betrokken is geweest.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank kan, op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting, niet worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. De rechtbank acht het handelen van de verdachte in de vroege ochtend van 2 januari 2025 te ver verwijderd van het in de nacht van 2 januari 2025 toegepaste geweld op de benadeelde partij, waarbij de verdachte niet aanwezig was. De rechtbank zal hierom de vordering van de benadeelde partij afwijzen.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 46, 47, 63 en 282 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het (primair) ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
medeplegen van voorbereiding van iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
180 (HONDERDTACHTIG) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, te weten 101 (honderdeen) dagen, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
79 (negenenzeventig) dagen, niet zal worden tenuitvoergelegdonder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
drie jarenvastgestelde
proeftijdniet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
Meldplicht
- zich gedurende de proeftijd meldt bij GGZ Reclassering Fivoor (adres: Zijlweg 148C, 2015 BJ Haarlem) op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;
Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname
- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van GGZ Noord-Holland Noord, Terwille Verslavingszorg of een soortgelijke zorginstelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn middelenproblematiek en psychische klachten, en voor het uitvoeren van diagnostisch onderzoek, zolang de reclassering dat noodzakelijk acht. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik, overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van betrokkene dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie, stabilisatie, observatie, diagnostiek en/of crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur
van maximaal zeven weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
- gedurende de proeftijd verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten Exodus of een soortgelijke instelling, en zich houdt aan de huisregels en het (dag)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;
Dagbesteding
- zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van (on)betaald werk met een vaste structuur;
Meewerken aan het aflossen van schulden
- gedurende de proeftijd de reclassering inzicht geeft in zijn financiën en schulden, en meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen;
Beheersing van middelengebruik
- gedurende de proeftijd meewerkt aan middelencontroles om zicht te krijgen op het gebruik van alcohol en drugs, zo frequent als en op de wijzen die de reclassering noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan GGZ Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een
taakstrafvoor de tijd van
180 (HONDERDTACHTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de tijd van
90 (NEGENTIG) DAGEN;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij af.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Schaaf, voorzitter,
mr. drs. H.M. Braam, rechter,
mr. A. Dantuma, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. F. Aksu, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 april 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte is -
na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 24 maart 2026- ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 2 januari 2025
(’s ochtends)te Delft en/of te Hoofddorp, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten wederrechtelijke vrijheidsberoving opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten geprepareerde tyraps en/of een mobiele telefoon (waarop gechat werd over dit voorgenomen misdrijf) en/of een bus (waarmee de voorverkenning werd uitgevoerd) bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
NN, en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een ander of anderen dan verdachte op of omstreeks 2 januari 2025
(’s avonds)te Delft, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door NN en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer anderen en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en/of beroofd te houden,
- met een busje aan is/zijn komen rijden en/of
- heeft/hebben geprobeerd die [slachtoffer] in dat busje te trekken en/of
- die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij moest instappen en/of
- die [slachtoffer] heeft/hebben geslagen met een vuurwapen, althans een op een
vuurwapen gelijkend voorwerp, althans een voorwerp en/of
- en/of die [slachtoffer] heeft/hebben geslagen en/of met hem heeft/hebben geworsteld/gevochten
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 2 januari 2025
(’s ochtends)te Delft en/of Hoofddorp, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door chatgesprekken te voeren met mededader(s) en/of opdrachtgevers over het plegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving en/of over de voorbereidingen daarvan en/of over de manier waarop het beoogde slachtoffer overmeesterd diende te worden en/of door een nacht eerder mee te gaan naar Delft voor een voorverkenning en/of voor de uitvoering van dit misdrijf (die om onbekende redenen niet door ging) en/of door tyraps te prepareren.