AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Kroatië
Eiser, met de Turkse nationaliteit, vroeg op 4 september 2025 asiel aan in Nederland. De minister nam de aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Nederland deed op 4 november 2025 een verzoek tot terugname bij Kroatië, dat dit op 11 november 2025 aanvaardde.
Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt vanwege slechte opvangomstandigheden in Kroatië, meldingen van pushbacks en mensenrechtenschendingen. Hij onderbouwde dit met het AIDA-rapport 2024 en een update van januari 2026, en eigen ervaringen met slechte hygiëne en gebrek aan medische zorg.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat de problemen in Kroatië niet structureel en ernstig genoeg zijn om een reëel risico op een schending van artikel 3 EVRMPro of artikel 4 HandvestPro aan te nemen. De door eiser aangevoerde omstandigheden rechtvaardigen geen afwijking van dit beginsel.
Daarnaast stelde eiser dat de minister zijn asielaanvraag onverplicht had moeten aannemen op grond van artikel 17 DublinverordeningPro wegens bijzondere individuele omstandigheden, waaronder zijn psychische toestand. De rechtbank vond dat de minister dit zorgvuldig en gemotiveerd heeft beoordeeld en dat de medische situatie van eiser geen bijzondere omstandigheid vormt die overdracht aan Kroatië zou verhinderen.
Het beroep is daarom ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft in stand. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.9151
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. A. Berends),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. S.F.H. Pols).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 11 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om voorlopige voorziening [1] , op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. Eiser heeft de Turkse nationaliteit. Hij heeft op 4 september 2025 asiel aangevraagd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. De Europese Unie heeft namelijk gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland op 4 november 2025 bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek op 11 november 2025 aanvaard.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiser voert aan dat de minister niet langer mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. Hiertoe voert eiser aan dat de opvangfaciliteiten niet aan de minimumvereisten voldoen. Zo heeft eiser verklaard dat de Kroatische opvanglocatie onhygiënisch was en het eten slecht was. Daarnaast zijn er meldingen over pushbacks en andere mensenrechtenschendingen door de Kroatische autoriteiten. Eiser verwijst ter onderbouwing naar het AIDA Country Report Croatia (2024 update) (AIDA-rapport) en naar een online artikel “Short overview of the reception system – Croatia van 20 januari 2026”. [3]
5.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de minister ervan uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 vanPro het EVRM of artikel 4 vanPro het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 vanPro het EVRM of artikel 4 vanPro het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. [4] Of deze bereikt wordt, hangt af van de omstandigheden van het geval.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van Kroatië mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) blijkt dat ten aanzien van Kroatië nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [5] Hierbij is de Afdeling onder meer ingegaan op de onderwerpen (toegang tot de) asielprocedure, pushbacks en opvangvoorzieningen. Het AIDA-rapport, update 2024, waar eiser naar verwijst, laat geen wezenlijk ander beeld zien dan het eerdere AIDA-rapport, update 2023, waarover de Afdeling al heeft geoordeeld. Verder blijkt uit de door eiser genoemde update van 20 januari 2026 niet dat de situatie in Kroatië na het verschijnen van de update 2024 verslechterd is. Het is niet gebleken dat de problemen in Kroatië, ondanks dat er moeilijkheden bestaan en dat deze voortduren, structureel en dermate ernstig zijn dat bij overdracht aan Kroatië op voorhand sprake is van een reëel risico op een met artikel 3 vanPro het EVRM en artikel 4 vanPro het Handvest strijdige behandeling. De minister heeft daarbij, anders dan eiser aanvoert, de gebeurtenissen die hij heeft meegemaakt in Kroatië meegenomen. Zo heeft de minister in het bestreden besluit onder meer betrokken dat eiser in het aanmeldgehoor heeft verklaard dat de omstandigheden in Kroatië slecht zijn en de opvanglocaties slecht zijn. Eiser heeft nog aangevoerd dat hij ongeveer een week tot tien dagen in een Kroatische opvanglocatie heeft verbleven. Volgens eiser was het erg vies en kreeg eiser wondjes aan zijn benen. Eiser heeft foto’s overgelegd van zijn benen, het toilet en de douche in de opvanglocatie. Eiser heeft geen enkele medische zorg gekregen, terwijl hij daar wel om heeft gevraagd. Ook heeft eiser geen leefgeld ontvangen, terwijl de Opvangrichtlijn dat wel voorschrijft. Daarmee bevestigt eiser wel deels de inhoud van onder meer het AIDA-rapport, maar hij maakt daarmee niet aannemelijk dat de situatie zo ernstig is dat de Jawo-drempel wel wordt gehaald.
5.4.
De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd dus geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Afdeling in voornoemde uitspraken dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. De beroepsgrond slaagt niet.
Onevenredige hardheid
6. Eiser voert verder aan dat de minister eisers asielaanvraag onverplicht aan zich toe moet trekken in het kader van artikel 17 vanPro de Dublinverordening. Hiertoe voert eiser de hiervoor genoemde ervaringen aan en daarnaast dat zijn psychische toestand slecht is. Een kamergenoot van eiser heeft zelfmoord gepleegd. Eiser kan hierdoor ’s nachts niet slapen, omdat hij rare geluiden hoort en beelden ziet en heeft moeite om onder te mensen te zijn. Eiser heeft een gesprek met de POH-GGZ gehad. Op 24 maart 2026 heeft eiser een tweede gesprek.
6.1.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening trekt de minister een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de door eiser gestelde omstandigheden in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet heeft hoeven aanmerken als bijzondere individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiser aan Kroatië van een onevenredige hardheid getuigt. De minister heeft die omstandigheden in het bestreden besluit voldoende zorgvuldig en gemotiveerd in zijn beoordeling betrokken. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat omstandigheden die op onderwerpen zien die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel niet opnieuw hoeven te worden beoordeeld in het kader van de vraag of zich bijzondere individuele omstandigheden voordoen als bedoeld in paragraaf C2/5 (onder discretionaire bepalingen) van de Vreemdelingencirculaire 2000.
6.3.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de medische situatie van eiser geen bijzondere individuele omstandigheid is op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De overlegde stukken van eiser, waaronder de foto’s van de opvang in Kroatië, de afspraakkaart van GGZ, en wat eiser op de zitting heeft verklaard, namelijk dat hij eens in de twee weken een afspraak heeft met een psycholoog, leiden niet tot een ander oordeel. De rechtbank ziet in de inhoud van de afspraakkaart ook geen aanleiding om het onderzoek en eventuele behandeling van de POH-GGZ af te wachten. Eiser heeft verklaard psychische hulp te krijgen omdat een kamergenoot in Nederland zelfmoord had gepleegd. Dit heeft geen gevolg voor de overdracht aan Kroatië en leidt niet tot het oordeel dat Nederland het aangewezen land is om eiser te behandelen. De minister heeft daarbij terecht opgemerkt dat, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel mag worden verondersteld dat sprake is van vergelijkbare medische voorzieningen in Kroatië. Dat geldt dus ook voor psychische behandelingen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister niet ten onrechte de asielaanvraag van eiser niet onverplicht in behandeling heeft genomen op grond van artikel 17 vanPro de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Göbel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.NL26.9152.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.AIDA Croatian Law Centre, Short overview of the reception system van 20 januari 2026.
4.Oftewel de Jawo-drempel; zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 in de zaak C-163/17, ECLI:EU:C:2019:218.