ECLI:NL:RBDHA:2026:8817
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L.J. van der Veen
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Frankrijk
Opposante heeft een asielaanvraag ingediend die door de minister niet in behandeling is genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. De rechtbank heeft het beroep van opposante zonder zitting kennelijk ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is verzet ingesteld, dat op 9 april 2026 is behandeld.
Opposante voert aan dat de minister de normale Dublinprocedure niet heeft gevolgd en dat het medische dossier niet is onderzocht, met het verzoek dit alsnog te herzien vanwege haar ziekte en onmogelijkheid tot overbrenging naar Frankrijk. Tevens heeft zij een brief van Franse autoriteiten overgelegd waarin haar wordt verzocht het land te verlaten.
De rechtbank overweegt dat verzet zich beperkt tot de vraag of de zaak ten onrechte zonder zitting is behandeld. Uit de overgelegde stukken blijkt geen aanleiding om het interstatelijk vertrouwensbeginsel te verwerpen. De aangevoerde argumenten scheppen geen twijfel over de uitkomst van de eerdere uitspraak. Het verzet wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van 2 maart 2026 blijft in stand.
Uitkomst: Het verzet tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.