Uitspraak
handelend onder de naam [handelsnaam] ,
1.De procedure
- de conclusie van antwoord;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
Rechtbank Den Haag
In deze zaak heeft de kantonrechter te Den Haag op 15 januari 2026 uitspraak gedaan in een geschil tussen VGZ Zorgverzekeraar N.V. (eiser) en een gedaagde partij die handelt onder een handelsnaam. De procedure is gestart met een dagvaarding op 21 juli 2025, gevolgd door een mondelinge behandeling op 17 december 2025. De kern van het geschil betreft een loonbeslag dat VGZ heeft gelegd op het loon van een ex-werknemer, [naam], die eerder door de kantonrechter was veroordeeld tot betaling van een geldsom aan VGZ. De gedaagde partij, [gedaagde partij], heeft verzuimd om de verplichte verklaring te doen over het loon dat onder het beslag viel, wat leidde tot de vordering van VGZ om het bedrag van € 2.775,41 te betalen, vermeerderd met rente en kosten. De kantonrechter oordeelt dat de gedaagde partij niet kan volhouden dat zij niet op de hoogte was van het beslag, aangezien de gerechtsdeurwaarder het exploot op de juiste wijze heeft betekend. De gedaagde partij is veroordeeld tot betaling van het gevorderde bedrag, evenals de proceskosten van in totaal € 1.257,04. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.