ECLI:NL:RBDHA:2026:882

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
11827933 \ RLEXPL 25-14543
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis inzake loonbeslag en verplichtingen van de werkgever

In deze zaak heeft de kantonrechter te Den Haag op 15 januari 2026 uitspraak gedaan in een geschil tussen VGZ Zorgverzekeraar N.V. (eiser) en een gedaagde partij die handelt onder een handelsnaam. De procedure is gestart met een dagvaarding op 21 juli 2025, gevolgd door een mondelinge behandeling op 17 december 2025. De kern van het geschil betreft een loonbeslag dat VGZ heeft gelegd op het loon van een ex-werknemer, [naam], die eerder door de kantonrechter was veroordeeld tot betaling van een geldsom aan VGZ. De gedaagde partij, [gedaagde partij], heeft verzuimd om de verplichte verklaring te doen over het loon dat onder het beslag viel, wat leidde tot de vordering van VGZ om het bedrag van € 2.775,41 te betalen, vermeerderd met rente en kosten. De kantonrechter oordeelt dat de gedaagde partij niet kan volhouden dat zij niet op de hoogte was van het beslag, aangezien de gerechtsdeurwaarder het exploot op de juiste wijze heeft betekend. De gedaagde partij is veroordeeld tot betaling van het gevorderde bedrag, evenals de proceskosten van in totaal € 1.257,04. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
esp/b/c
Zaaknummer: 11827933 \ RL EXPL 25-14543
Vonnis van 15 januari 2026
in de zaak van
de naamloze vennootschap VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,
te Arnhem,
eisende partij,
hierna te noemen: VGZ,
gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen
[gedaagde partij],
handelend onder de naam [handelsnaam] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de inleidende dagvaarding van 21 juli 2025;
- de conclusie van antwoord;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 17 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
In een door VGZ tegen [naam] (hierna: [naam] ) aangespannen procedure voor de kantonrechter te Den Haag is op 20 augustus 2024 vonnis gewezen. In dat vonnis is [naam] veroordeeld om aan VGZ te betalen € 2.500,00 te vermeerderen met proceskosten waaronder nakosten en explootkosten. Dit vonnis is op 9 oktober 2024 aan [naam] betekend.
2.2.
[naam] was tot 30 juni 2025 in loondienst bij [gedaagde partij] .

3.Het geschil

3.1.
VGZ vordert - samengevat – om [gedaagde partij] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
primair: te veroordelen tot betaling van € 2.775,41 aan VGZ, vermeerderd met rente en kosten;
subsidiair: te veroordelen (1) de verplichtingen uit het beslag deugdelijk na te komen en alle gelden boven de beslagvrije voet alsnog af te dragen tot een maximum van € 2.775,41, (2) bewijs te leveren van wat onder het beslag viel, en (3) tot betaling van € 2.775,41 aan VGZ als vervangende schadevergoeding wanneer zij niet tijdig uitvoering geeft aan het voorgaande, alles vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
VGZ legt aan haar vordering – verkort weergegeven – het volgende ten grondslag. Op grond van het vonnis van 20 augustus 2024 heeft zij een geldvordering op [naam] . Omdat [naam] niet betaalt, heeft VGZ, bij exploot van 24 maart 2025, derdenbeslag gelegd onder [gedaagde partij] op het loon en vakantiegeld dat [naam] van [gedaagde partij] ontvangt. Bij brieven van 13 april 2025 en 9 mei 2025 heeft VGZ [gedaagde partij] herinnerd aan haar verplichting te verklaren wat door het beslag is getroffen en af te dragen. Artikel 476a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) bepaalt dat een derde onder wie beslag wordt gelegd verplicht is verklaring te doen van wat er door het beslag is getroffen. [gedaagde partij] is die verplichting niet nagekomen. Daarom moet zij aan VGZ het bedrag betalen waarvoor beslag is gelegd zoals artikel 477a lid 1 Rv bepaalt. Subsidiair, voor het geval dat [gedaagde partij] alsnog verklaart, moet zij haar verplichting tot afdracht nakomen en anders schadevergoeding aan VGZ betalen.
3.3.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van VGZ, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van VGZ.
3.4.
[gedaagde partij] voert daartoe aan dat zij het beslagexploot en de beide brieven niet heeft ontvangen. Zij is pas bekend geworden met het beslag door de dagvaarding die zij op 22 juli 2025 ontving. Op dat moment was [naam] niet meer bij haar in dienst en kon zij geen inhoudingen meer doen. Als zij van het beslag had geweten had zij daaraan uitvoering gegeven zoals zij ook eerder heeft gedaan ten aanzien van [naam] . Omdat [naam] loon onder de beslagvrije voet lag was een beslag ook feitelijk niet uitvoerbaar. Voor [gedaagde partij] voelt het onrechtvaardig en belastend dat zij wordt aangesproken voor de schuld van een ex-werkneemster.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

beoordelingskader
4.1.
Bij een loonbeslag, zoals hier aan de orde, is een werkgever ( [gedaagde partij] ) verplicht om het loon, voor zover dat hoger is dan de beslagvrije voet, af te dragen aan de schuldeiser (VGZ). Daarvoor moet de schuldeiser weten op hoeveel loon de schuldenaar recht heeft en daarom is de werkgever verplicht daarover een verklaring af te leggen (artikel 476a lid 1 Rv). Als een werkgever de bedoelde verklaring niet geeft, kan hij worden veroordeeld om het bedrag te betalen waarvoor het beslag is gelegd “als ware hij daarvan zelf schuldenaar” (artikel 477a lid 1 Rv).
beslag en verklaring
4.2.
Dat [gedaagde partij] die verklaring niet heeft gegeven staat vast. Zij voert aan dat zij het beslagexploot en de twee daarop volgende brieven niet heeft ontvangen en daarom niet wist dat zij verklaring moest doen. Dit verweer slaagt niet.
4.3.
Het exploot waarmee het derdenbeslag is gelegd, is door de gerechtsdeurwaarder op 24 maart 2025 betekend aan het zakelijk adres van [gedaagde partij] . Er was toen kennelijk niemand op dat adres aanwezig. In het exploot is namelijk vermeld dat de gerechtsdeurwaarder de stukken in gesloten envelop met de wettelijk voorgeschreven vermeldingen heeft achtergelaten op dit adres. Uit de wet volgt dat deze verklaring van een gerechtsdeurwaarder dwingende bewijskracht heeft (artikel 157 lid 1 Rv). Dit betekent dat wanneer in het exploot is vermeld dat de gerechtsdeurwaarder het exploot heeft achtergelaten op het in het exploot vermelde adres, dat dan ook dwingend bewijs oplevert van het feit dat het exploot daadwerkelijk op dat adres is achtergelaten. Door [gedaagde partij] is niet betwist dat dit haar zakelijk adres is. Hieruit volgt dat het beslagexploot op de juiste wijze aan [gedaagde partij] is betekend.
4.4.
Aan de gerechtsdeurwaarder, en daarmee aan VGZ, kan niet worden verweten dat [gedaagde partij] niets wist van de door de gerechtsdeurwaarder achtergelaten beslagstukken. [gedaagde partij] is namelijk zelf verantwoordelijk voor de behandeling van de post die aan haar zakelijke adres is gericht. Als het zo is dat [naam] de brief van de gerechtsdeurwaarder heeft weggehaald, zoals [gedaagde partij] suggereert, dan is dat een omstandigheid waar VGZ niets mee te maken heeft en voor [gedaagde partij] risico komt.
4.5.
Vervolgens heeft VGZ [gedaagde partij] in haar brief van 13 april 2025 herinnerd aan het op 24 maart 2025 gelegde derdenbeslag en haar gevraagd binnen acht dagen verklaring te doen conform het bijgevoegde formulier. Daarna heeft VGZ [gedaagde partij] in haar brief van 9 mei 2025 daar nogmaals aan herinnerd en haar gevraagd binnen vijf dagen verklaring te doen conform het bijgevoegde formulier. Beide brieven zijn door de gerechtsdeurwaarder aan hetzelfde zakelijk adres van [gedaagde partij] gezonden als waar het beslagexploot aan is betekend. De enkele stelling van [gedaagde partij] dat zij deze brieven niet heeft gezien is onvoldoende om aan te nemen dat deze brieven niet op haar zakelijke adres zijn bezorgd. Dat een van de brieven op een zondag is aangemaakt en [gedaagde partij] in mei 2025 in het buitenland verbleef, is in ieder geval onvoldoende om eraan te twijfelen dat de beide brieven op haar zakelijke adres zijn bezorgd. Ook hier geldt dat wat er vanaf de bezorging met de brieven is gebeurd niet aan VGZ kan worden verweten. Het is de verantwoordelijkheid van [gedaagde partij] om ervoor te zorgen dat aan haar gerichte zakelijke correspondentie haar bereikt.
4.6.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er door VGZ derdenbeslag is gelegd onder [gedaagde partij] op het loon dat zij aan [naam] betaalde en dat [gedaagde partij] heeft nagelaten daarvan tijdig verklaring te doen. Omdat [naam] na 30 juni 2025 ook niet meer bij haar in dienst is, heeft het geen goede zin om [gedaagde partij] alsnog verklaring te laten doen, zij heeft immers geen loon of andere gelden van [naam] meer onder zich om aan VGZ af te dragen. Daarmee ligt de vordering van VGZ voor toewijzing klaar.
Beslagvrije voet
4.7.
Met VGZ is de kantonrechter van oordeel dat het niet duidelijk is dat het derdenbeslag niets zou hebben opgeleverd, zoals door [gedaagde partij] naar voren is gebracht. Doordat er geen verklaring is gedaan is het namelijk onduidelijk gebleven of en voor welk bedrag [gedaagde partij] loon zou hebben moeten inhouden en afdragen aan VGZ. Zo heeft VGZ er op gewezen dat naast de maandelijkse inhouding op het loon van [naam] als gevolg van een door CAK gelegd loonbeslag in februari 2025 toch nog een bedrag van meer dan 600 euro op het loon van [naam] is ingehouden en aan Bosveld is afgedragen voor een door deze partij ten laste van [naam] gelegd beslag. Ook is er geen informatie gegeven over de wijze waarop het dienstverband met [naam] is geëindigd en of daarbij een transitie- of ander vergoeding is betaald. De verklaring is er om duidelijkheid te krijgen over de vraag of en zo ja hoeveel er onder het loonbeslag moet worden afgedragen. Daarmee is niet duidelijk dat het loonbeslag, als [gedaagde partij] de regels had gevolgd, niets voor VGZ had opgeleverd. Er is daarmee ook geen reden om de vordering af te wijzen.
kortom
4.8.
Door [gedaagde partij] is niet betwist dat het gaat om een bedrag van € 2.775,41, zoals ook volgt uit het beslagexploot en de beide brieven. Dit bedrag wordt daarom toegewezen met de onweersproken gevorderde wettelijke rente vanaf 15 juli 2025.
4.9.
Met toewijzing van het primair gevorderde, blijft het subsidiair gevorderde onbesproken.
buitengerechtelijke incassokosten
4.10.
VGZ vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter overweegt dat de toe te wijzen vordering geen betrekking heeft op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. De vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, moet daarom worden beantwoord aan de hand van het Rapport BGK-integraal. Gelet op de aanbevelingen van dit rapport, wijst de kantonrechter de vordering af. VGZ heeft immers niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan VGZ vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.
proceskosten
4.11.
[gedaagde partij] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van VGZ worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
148,04
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
476,00
(2 punten × € 238,00)
- nakosten
119,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.257,04

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan VGZ te betalen een bedrag van € 2.775,41, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 15 juli 2025, tot de dag van volledige betaling;
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 1.257,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A.W. Schippers en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026.