ECLI:NL:RBDHA:2026:8836

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
NL25.41287
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 2:15 AwbArt. 42 Vw
Verwijzingen
13 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens te vroege ingebrekestelling bij niet-tijdige beslissing asielaanvraag Syrië

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel. De aanvraag werd ingediend op 25 december 2023. De minister vroeg op 27 december 2023 om terugname door Duitsland, maar de overdracht vond niet tijdig plaats, waardoor Nederland verantwoordelijk werd per 30 juni 2024.

De minister stelde dat de beslistermijn met negen maanden was verlengd op grond van een besluit (WBV 2023/3), maar de rechtbank oordeelde dat dit besluit buiten toepassing bleef. Daarnaast gold een besluitmoratorium voor Syrië van 14 december 2024 tot 13 juni 2025, waardoor de beslistermijn met maximaal één jaar werd verlengd tot ten hoogste 21 maanden na de aanvraagdatum.

De minister diende dus uiterlijk op 25 augustus 2025 te beslissen. Eiseres stelde de minister op 14 augustus 2025 in gebreke, maar dit was te vroeg omdat de beslistermijn nog niet was verstreken. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de ingebrekestelling te vroeg is ingediend terwijl de minister nog binnen de beslistermijn kon beslissen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.41287
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. D. van Elp),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend, omdat de minister volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).

Overwegingen

1. De rechtbank vindt een zitting niet nodig en heeft partijen gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.1
Is de ingebrekestelling van eiseres rechtsgeldig?
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
3. Eiseres heeft een ingebrekestelling ingediend. De minister heeft de ontvangst daarvan bevestigd op 14 augustus 2025. De minister heeft de ingebrekestelling niet geweigerd.3 In haar uitspraak van 13 februari 2026 heeft deze zittingsplaats van de rechtbank geoordeeld dat een elektronisch ingediende ingebrekestelling via “veilig mailen” rechtsgeldig is als de minister de ontvangst daarvan heeft bevestigd.4 Dit geldt ook als de ingebrekestelling niet
1. Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 2:15, vierde lid, van de Awb, zoals dat luidde ten tijde van de ontvangstbevestiging van de ingebrekestelling.
via de door de minister voorgeschreven weg is ingediend. Anders dan de minister stelt, is de rechtbank van oordeel dat de ingebrekestelling geldig is en onderdeel uitmaakt van het dossier.
Vanaf wanneer is de minister verantwoordelijk voor de aanvraag van eiseres?
4. De minister dient uiterlijk zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking te geven.5 Indien de minister onderzoekt of de aanvraag niet in behandeling dient te worden genomen6, vangt deze termijn aan op het tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.7
5. Eiseres heeft op 25 december 2023 haar asielaanvraag in Nederland ingediend. Naar aanleiding van de aanvraag, heeft de minister op 27 december 2023 aan de Duitse autoriteiten verzocht om eiseres terug te nemen.8 De Duitse autoriteiten hebben dit verzoek (fictief) geaccepteerd op 29 december 2023. De minister diende eiseres vanaf dat moment uiterlijk binnen zes maanden over te dragen.9
6. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet tijdig aan Duitsland is overgedragen. Het gevolg daarvan is dat de minister per 30 juni 2024 verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van de aanvraag.
Is de wettelijke beslistermijn overschreden?
7. Sinds 27 januari 2023 is het besluit met kenmerk WBV 2023/3 van kracht. Dit besluit heeft tot gevolg dat de beslistermijnen van asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2023 tot 1 januari 2024 met negen maanden zijn verlengd. De aanvraag valt onder het toepassingsbereik van dit besluit. Op grond hiervan stelt de minister zich op het standpunt dat de beslistermijn van de aanvraag met negen maanden is verlengd.
8. In de genoemde uitspraak van 13 februari 2026 heeft deze zittingsplaats geoordeeld dat het besluit met kenmerk WBV 2023/3 buiten toepassing blijft. Deze zittingsplaats verlaat daarmee de lijn die hij heeft ingezet met zijn uitspraak van
16 februari 2024.10 Voor de aanvraag betekent dit dat de beslistermijn niet is verlengd met negen maanden. De minister had dus in beginsel uiterlijk zes maanden later op de aanvraag moeten beslissen.11
9. Eiseres komt uit Syrië. Met ingang van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025 gold voor Syrië een besluitmoratorium.12 Gedurende de tijd dat het besluitmoratorium van kracht was, besliste de minister niet op asielaanvragen van vreemdelingen uit dat land. De beslistermijn voor asielaanvragen die vóór of tijdens de werking van het besluitmoratorium
5 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
6 Artikel 30 van Pro de Vw.
7 Artikel 42, zesde lid, van de Vw.
8 Artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening.
9 Artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening.
11 Artikel 42, eerste lid, van de Vw.
12 Stcrt. 2024, 41538.
werden ontvangen, is verlengd met één jaar tot ten hoogste 21 maanden.13
10. Dit zou betekenen dat de minister uiterlijk op 30 december 2025 diende te beslissen op de aanvraag (30 juni 2024 + zes maanden + één jaar), ware het niet dat de verlenging van de beslistermijn is gemaximeerd tot 21 maanden, te rekenen vanaf de datum van de aanvraag. In het onderhavige geval diende de minister dus te beslissen op 25 augustus 2025. Eiseres heeft de minister op 14 augustus 2025 in gebreke gesteld. De beslistermijn was op dat moment hoe dan ook nog niet verstreken. De ingebrekestelling is dus te vroeg ingediend. Het beroep is daarmee niet-ontvankelijk.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
J.M. Pattynama, griffier.
13 Artikel 43, eerste lid, van de Vw en artikel 2 van Pro het Besluit instelling besluitmoratorium en vertrekmoratorium vreemdelingen afkomstig uit Syrië.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
24 maart 2026

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.