Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Inleiding
Overwegingen
[e-mailadres 1]. Aldus heeft eiser niet de juiste en voorgeschreven procedure gevolgd. De ingebrekestelling had namelijk verstuurd moeten worden naar het e-mailadres
[e-mailadres 2]. De minister voert verder aan dat eiser de ingebrekestelling niet (nogmaals) per post of naar het juiste emailadres heeft verstuurd. De minister verwijst naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 26 januari 20242 en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 11 november 2025.3
[e-mailadres 1]en niet naar het emailadres
[e-mailadres 2]. Het weigeren van een elektronisch ingediend stuk is mogelijk op grond van artikel 2:15, vierde lid, van de Awb.4 Zo’n weigering moet ondubbelzinnig zijn. Daarvan is hier geen sprake, alleen al vanwege het feit dat de minister bij brief van 25 juni 2025 expliciet de ontvangst van de ingebrekestelling aan eiser heeft bevestigd. De minister heeft in de ontvangstbevestiging niet vermeld dát de ingebrekestelling van 18 juni 2025 daadwerkelijk ongeldig was. De minister heeft eiser slechts in algemene termen geïnformeerd over de procedure voor het indienen van een ingebrekestelling langs elektronische weg. De minister laat het aan eiser om zelf na te gaan of hij de ingebrekestelling volgens de juiste procedure heeft ingediend. Dit is anders dan in de zaak die bij de CRvB speelde; daar had het bestuursorgaan onmiddellijk een ondubbelzinnige weigering verzonden. In het geval van eiser heeft de minister echter onderkend dat de e-mail van eiser van 18 juni 2025 een ingebrekestelling betrof. Naar het oordeel van de rechtbank dient het dan geen redelijk doel meer om van eiser te verlangen dat hij de ingebrekestelling (nogmaals) via een ander e-mailadres of per post indient en wanneer eiser dat niet doet, de minister de ingebrekestelling dan ‘ongeldig verklaart’ en niet in behandeling neemt.
Is het beroep van eiser ontvankelijk en gegrond?
derde
nietvan een duidelijke plotseling toename in de aantallen. Dat de instroom vanaf medio 2021 steeg ten opzichte van het begin van de coronapandemie mag zo zijn, maar dat is in tijd te ver verwijderd van de in aanmerking te nemen periode voor de beoordeling van WBV 2023/3.
Cumulative development of total asylum applications in The Netherlands. De rechtbank merkt hierover op dat de grafiek het aantal asielaanvragen (y-as) afgezet over de tijd (x-as) laat zien in de vorm van een lineaire vergelijking. De twee lijnen (geel, blauw) vertegenwoordigen de jaren 2022, 2023. De rechte lijn van de grafiek duidt op een (tamelijk) constante stroom van asielaanvragen gedurende de in de grafiek vermelde periode van twee jaar. Nergens op de lijnen is een duidelijke verandering van de hellingshoek van de lijn te zien die zou duiden op een plotselinge verandering van de instroomsnelheid. Uit de projectie van de verschillende jaren (de lijnen vallen nagenoeg ‘over elkaar’; er is geen verschuiving op de y-as) blijkt dat er ook geen groot onderling verschil is tussen de jaren 2022 en 2023. De grafiek bevestigt in zoverre het beeld, dat juist géén sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 31, derde lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt de minister op om
- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.