De rechtbank Den Haag heeft op 14 april 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van deelname aan een criminele organisatie met als doel het overtreden van de Opiumwet, handel in harddrugs en voorbereidingshandelingen ten behoeve daarvan.
De tenlastelegging omvatte onder meer het bezit en de handel in cocaïne, MDMA en amfetamine, het voorhanden hebben van middelen en materialen bestemd voor drugshandel, en deelname aan een organisatie die zich bezighoudt met dergelijke strafbare feiten. De verdachte heeft zich gedurende ongeveer negen maanden schuldig gemaakt aan deze feiten in verschillende plaatsen in Nederland.
Procesafspraken tussen de officier van justitie en de verdediging leidden tot een voorstel voor een straf van 600 dagen gevangenisstraf, waarvan 330 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank heeft dit voorstel onderzocht en vastgesteld dat de verdachte vrijwillig en bewust heeft ingestemd met de afspraken, en dat de straf in redelijke verhouding staat tot de ernst van de feiten.
De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van één tenlastegelegd feit, maar verklaarde de overige feiten wettig en overtuigend bewezen. De straf is opgelegd met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank benadrukte de ontwrichtende werking van de drugshandel op de samenleving en de noodzaak van een passende straf om recidive te voorkomen.