3.1.De aard van de zaak
Deze strafzaak kenmerkt zich doordat de officier van justitie en de verdediging zogeheten ‘procesafspraken’ hebben gemaakt over wat volgens hen een passende uitkomst van de strafzaak zou zijn. Deze procesafspraken zijn opgenomen in een overeenkomst die op 10 juli 2025 door de officier van justitie is ondertekend en door de verdachte en zijn raadsman op 13 mei 2025 is ondertekend. De officier van justitie heeft de procesafspraken voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling aan de rechtbank toegestuurd. In de overeenkomst doen de officier van justitie en de verdediging aan de rechtbank een gezamenlijk voorstel voor de wijze van afdoening van de strafzaak.
Dit afdoeningsvoorstel houdt het volgende in:
- verdachte ziet af van het indienen van onderzoekswensen en trekt reeds ingediende en
toegewezen verzoeken in;
- het Openbaar Ministerie zal ter terechtzitting zijn niet-ontvankelijkheid vorderen ten
aanzien van het onder 5 ten laste gelegde feit (valsheid in geschrift), omdat voortzetting
van de vervolging voor dit feit niet langer enig door strafrechtelijke handhaving beschermd
belang dient;
- het Openbaar Ministerie zal ter terechtzitting vrijspraak vorderen van het onder 3 ten laste
gelegde en ten aanzien van feiten 1, 2 en 4 een bewezenverklaring vorderen;
- het Openbaar Ministerie zal ter terechtzitting de oplegging vorderen van een
gevangenisstraf van 600 dagen waarvan 329 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van
twee jaren;
- door de verdediging worden geen verweren gevoerd;
- door de verdediging en het Openbaar Ministerie wordt geen hoger beroep ingesteld indien
de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging overeenkomstig de tussen
de verdachte en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken;
- verdachte doet afstand van de onder hem in beslag genomen en nog niet teruggegeven
voorwerpen;
- het Openbaar Ministerie ziet af van een vordering tot ontneming van wederrechtelijk
verkregen voordeel.
Indien de rechtbank bovengenoemde procesafspraken zou afwijzen, verzoekt verdachte (onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2022, r.o. 5.7.4) tot heropening van het onderzoek ter zitting in de volgende gevallen:
- indien de rechtbank tot een ruimere bewezenverklaring zou komen, maar uitsluitend voor
zover de aard van het delict hiermee wezenlijk verandert;
- indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat de overeengekomen straf niet in redelijke
verhouding staat tot de ernst van de zaak en een hogere straf dient te worden opgelegd;
Het Openbaar Ministerie doet geen voorwaardelijk verzoek tot heropening en zal zich schikken in een vonnis met ruimere vrijspraak of lagere straf dan gevorderd.