ECLI:NL:RBDHA:2026:891

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
NL25.34349
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van een Jemenitische eiser met beroep tegen de beslissing van de minister van Asiel en Migratie

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag uitspraak gedaan over de afwijzing van de asielaanvraag van een Jemenitische eiser. De eiser heeft op 23 april 2023 een asielaanvraag ingediend, die door de minister van Asiel en Migratie op 2 juli 2025 als ongegrond is afgewezen. De rechtbank heeft het beroep van de eiser op 26 november 2025 behandeld. De eiser voert aan dat hij vreest voor vervolging in Jemen vanwege de oorlog en zijn afkomst. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is, maar dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank legt uit dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de eiser niet kan terugkeren naar Jemen, maar dat de rechtsgevolgen van de afwijzing in stand blijven. De rechtbank heeft de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de eiser, die € 1.868,- bedragen. De uitspraak is openbaar gemaakt op 21 januari 2026.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.34349

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A.E. Geçer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is, maar dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en wat de gevolgen hiervan zijn.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 23 april 2023 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 juli 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (bijgestaan door een tolk), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard dat hij de Jemenitische nationaliteit heeft en tot de Arabische bevolkingsgroep behoort. Hij heeft geen verblijfsrecht meer in Saoedi-Arabië en daarom is hij kort teruggekeerd naar Jemen. In Jemen kan eiser niet verblijven vanwege de situatie in het land door de oorlog. Eiser vreest dat hij en zijn kinderen gerekruteerd zullen worden door de Houthi’s of dat de Houthi’s hem zullen aanmerken als landverrader omdat hij uit Saudi-Arabië komt.
Besluitvorming
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister het volgende asielmotief: de identiteit, nationaliteit en herkomst.
4.1.
De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Dit leidt niet tot een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Jemen. In Jemen is weliswaar sprake van een hoge mate van willekeurig geweld, wat wordt beschouwd als een uitzonderlijke situatie. Maar dit betekent dat eiser aannemelijk moet maken waarom juist hij specifiek een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van dit geweld in vergelijking met andere burgers. De minister stelt dat eiser hierin niet is geslaagd. Eiser heeft verklaard dat er weliswaar oorlog is in Jemen, maar hij heeft geen concrete individuele omstandigheden naar voren gebracht waarom juist hij een reëel risico loopt op willekeurig geweld.
4.2.
Daarnaast vindt de minister eisers verklaringen over zijn vrees voor de Houthi’s niet aannemelijk. Eiser baseert zijn vrees alleen op informatie van horen zeggen. Bovendien heeft eiser zelf nooit problemen gehad met de Houthi’s. Ook is niet aannemelijk dat de Houthi’s eiser of zijn zoon zullen rekruteren.
Zienswijze herhaald en ingelast
5. De rechtbank overweegt dat eisers stelling dat zijn zienswijze als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, onvoldoende is om aan te merken als een beroepsgrond waarop de rechtbank moet ingaan. De minister is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijze. Het is aan eiser om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van de minister op de zienswijze volgens hem niet juist of niet toereikend is. [2] De rechtbank zal zich dan ook richten op wat eiser in beroep heeft aangevoerd.
Algemene veiligheidssituatie in Jemen
Juridisch kader
6. Artikel 15c [3] biedt bescherming in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in een gewapend conflict zo hoog is dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied alleen al door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt het slachtoffer te worden van een ernstige en individuele bedreiging van het leven.
6.1.
De rechtbank overweegt dat de Afdeling [4] op 17 juli 2024 [5] een richtinggevende uitspraak heeft gedaan over het arrest X en Y. [6] De minister heeft naar aanleiding daarvan besloten om voortaan drie gradaties binnen de veiligheidssituaties van landen te onderscheiden. In de eerste gradatie is de mate van willekeurige geweld zo hoog, dat een burger alleen al door zijn aanwezigheid een risico loopt op ernstige schade (‘risico door loutere aanwezigheid’, voorheen: ‘meest uitzonderlijke situatie’). De volgende gradatie is de situatie waarbij de mate van willekeurig geweld een relatief hoog niveau bereikt, maar niet hoog genoeg is om op basis van de loutere aanwezigheid van de vreemdeling een reëel risico op ernstige schade aan te nemen (‘relatief hoger niveau van willekeurig geweld’, voorheen: ‘minder uitzonderlijke situatie’). De derde gradatie is de situatie waarin sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. In die situatie is er wel willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict, maar bereikt de mate van het willekeurige geweld volgens de minister een relatief lager niveau (‘relatief lager niveau van willekeurig geweld’, voorheen: ‘geen of onvoldoende uitzonderlijke situatie’). In de tweede en derde gradatie zal een beoordeling van de individuele (risico verhogende) omstandigheden gemaakt moeten worden.
6.2.
De rechtbank overweegt dat de minister bij de beoordeling of er sprake is van een uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15c alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking dient te nemen. [7] Het gaat daarbij om een samenstel van verschillende omstandigheden die in onderlinge samenhang dienen te worden gewogen. De Afdeling heeft in de uitspraak van 16 juli 2025 geoordeeld dat humanitaire omstandigheden die het directe of indirecte gevolg zijn van het handelen en/of nalaten van een actor die partij is bij een gewapend conflict (ook) dienen betrokken te worden bij de beoordeling van 15c. [8] De humanitaire omstandigheden hoeven niet doorslaggevend te zijn. Artikel 15c moet daarom zo geïnterpreteerd worden dat de humanitaire situatie globaal moet worden meegewogen in de beoordeling als dit een direct of indirect gevolg is van het handelen of nalaten van de strijdende partijen in een actief gewapend conflict.
Het landenbeleid van Jemen
7. De minister van Buitenlandse Zaken heeft op 18 april 2025 een nieuw ambtsbericht uitgebracht over de veiligheidssituatie in Jemen. Naar aanleiding van dit ambtsbericht en de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 is het landenbeleid van Jemen op 17 oktober 2025 gewijzigd. [9] Deze wijziging houdt in dat de minister per provincie heeft beoordeeld welk niveau van willekeurige geweld geldt. Voor onder meer Sana’a (stad) en Sana’a (provincie) is sprake van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld.
Is sprake van een meer dan uitzonderlijke situatie in Sana’a (stad)?
8. De rechtbank stelt voorop dat de minister in het besluit een standpunt moet innemen over de vraag waarnaartoe eiser in Jemen moet terugkeren, omdat hij heeft aangevoerd dat hij dit vanwege de oorlog niet kan. De rechtbank stelt vast dat dit in de besluitvorming niet is gedaan. Daarom is sprake van een motiveringsgebrek. De rechtbank zal, gelet op dit motiveringsgebrek, het beroep gegrond verklaren. Maar de rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank is namelijk van oordeel dat de minister in het verweerschrift en op de zitting alsnog voldoende heeft gemotiveerd dat eiser dient terug te keren naar Sana’a (stad). Eiser heeft dit zelf in zijn gehoor verklaard [10] en op de zitting ook niet weersproken.
9. Verder oordeelt de rechtbank dat de minister in het bestreden besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd of in Jemen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15c. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 16 juli 2025 heeft geoordeeld zijn daarbij namelijk niet alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking genomen. Daarom is ook op dit punt, zoals door de minister op de zitting ook erkend, sprake van een motiveringsgebrek. Maar de rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit ook op dit punt in stand te laten. De rechtbank is namelijk van oordeel dat de minister in het verweerschrift en op de zitting alsnog voldoende is ingegaan op de stelling van eiser dat sprake zou zijn van de meest uitzonderlijke situatie in Sana’a (stad).
9.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat gelet op de aard en intensiteit van het geweld, de gehanteerde oorlogsmethoden en de directe en indirecte gevolgen daarvan voor de humanitaire situatie, het aantal ontheemden en het aantal (dodelijke) burgerslachtoffers afgezet tegen de totale burgerbevolking tot de conclusie leidt dat voor Sana’a (stad) sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. De minister verwijst voor de beoordeling daarvan naar het algemeen ambtsbericht Jemen en de kamerbrief met bijlagen van 8 oktober 2025. Uit deze informatie volgt volgens de minister dat sprake is van een lichte verbetering in de veiligheidssituatie door het doorzetten van het de facto bestand. Dit is terug te zien in de afname van het aantal gevechten en (dodelijke) burgerslachtoffers. Hoewel de humanitaire situatie precair bleef, leidt dat niet tot de conclusie dat iedere burger door alleen zijn aanwezigheid in het gebied een reëel risico op ernstige schade loopt.
9.2.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat geen sprake is van een verbetering in de veiligheidssituatie in Jemen. Eiser heeft zijn stelling namelijk niet geconcretiseerd en niet nader onderbouwd met stukken. Verder heeft eiser niet nader toegelicht wat de minister niet goed heeft gedaan in de beoordeling van de humanitaire omstandigheden of de andere meegewogen aspecten in de 15c-beoordeling.
Verhoogd risico bij terugkeer door individuele omstandigheden
10. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de minister in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd waarom eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij, vanwege zijn individuele omstandigheden, bij terugkeer een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Dat eiser op de zitting stelt dat sprake is van meer verkrachtingen door Houthi’s de afgelopen tijd, maakt dit niet anders. De minister heeft er in de besluitvorming op mogen wijzen dat eiser nog nooit problemen heeft gehad met de Houthi’s en er geen enkele concrete aanwijzing is dat hij daadwerkelijk gerekruteerd zal worden. [11] Ook heeft de minister niet ten onrechte gesteld dat de vrees dat eiser gezien zal worden als spion omdat hij in Saoedi-Arabië heeft geleefd, uitsluitend gebaseerd is op wat eiser van anderen heeft gehoord. De minister heeft verder niet ten onrechte gewezen op de omstandigheid dat de gestelde vrees ondermijnd wordt door het feit dat eiser in 2022 naar Jemen gereisd is terwijl hij op de hoogte was van de situatie en de aanwezigheid van Houthi’s in Sana’a (stad). [12]

Conclusie en gevolgen

11. De rechtbank is, gelet op wat is overwogen onder 8. en 9., van oordeel dat eisers beroep gegrond is. Het bestreden besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen laat de rechtbank in stand. Dit betekent dat de minister geen nieuw besluit op de asielaanvraag hoeft te nemen, maar dat de afwijzing van de asielaanvraag als ongegrond blijft staan.
11.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-. [13]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. Dijkstra, griffier en openbaar gemaakt via gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Deze uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Zie de uitspraken van 4 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2169) en 7 april 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1028).
3.Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.HvJEU, 9 november 2023 (ECLI:EU:C:2023:843), arrest X en Y.
7.Zie ook HvJEU, 10 juni 2021 (ECLI:EU:C:2021:472), arrest CF en DN, r.o. 40.
8.Zie de uitspraak van 16 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3153).
9.Kamerbrief met bijlagen van 8 oktober 2025 over landenbeleid Jemen november 2025, 19637, nr. 3489.
10.Pagina 12 verslag gehoor aanmeldfase.
11.Zie pagina 8 van het nader gehoor.
12.Zie pagina 12 van het nader gehoor.
13.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.