De rechtbank Den Haag heeft op 14 april 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van deelname aan een criminele organisatie met als doel het plegen van misdrijven onder de Opiumwet, handel in harddrugs en voorbereidingshandelingen daarvoor.
De zaak werd behandeld op basis van procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging, waarbij verdachte afstand deed van bepaalde rechten en het Openbaar Ministerie vrijspraak vorderde voor één van de ten laste gelegde feiten. De rechtbank heeft de bewezenverklaring en strafoplegging conform deze afspraken vastgesteld.
De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich gedurende ongeveer negen maanden schuldig heeft gemaakt aan grootschalige handel in harddrugs en voorbereidingshandelingen, wat een ernstige bedreiging vormt voor de samenleving. De straf van 700 dagen gevangenisstraf, waarvan 300 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, werd passend geacht gezien de ernst van de feiten, eerdere veroordelingen en de medewerking van de verdachte.
De rechtbank sprak de verdachte vrij van één ten laste gelegde feit en verklaarde de overige feiten wettig en overtuigend bewezen. De straf zal worden verminderd met de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De procesafspraken droegen bij aan een efficiënte behandeling van de zaak en werden meegewogen bij de strafoplegging.