ECLI:NL:RBDHA:2026:8918
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende aannemelijkheid identiteit en familierechtelijke relatie
Eiseres, met de Afghaanse nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in Nederland, na nareisaanvragen door haar jongere broertje, die een verblijfsvergunning asiel heeft. Haar aanvraag werd afgewezen omdat zij haar identiteit en de familierechtelijke relatie met haar broertje niet aannemelijk kon maken. Verweerder bood geen nader onderzoek aan vanwege een contra-indicatie, namelijk dat de referent haar niet noemde tijdens zijn asielprocedure.
Eiseres voerde aan dat haar geboortedatum onjuist is vastgesteld, dat het jongvolwassenenbeleid op haar van toepassing is en dat zij afhankelijk is van haar vader in Afghanistan. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de beperkte bewijswaarde van haar documenten heeft meegewogen en dat de contra-indicatie voldoende gemotiveerd is. De uitleg van eiseres en haar broertje kon de contra-indicatie niet wegnemen.
De rechtbank volgde eiseres niet in haar betoog dat nader onderzoek had moeten plaatsvinden en stelde vast dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen. De rechtbank kwam daardoor niet toe aan de beoordeling van het gezinsleven. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf is ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van haar identiteit en familierechtelijke relatie.