Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8922

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
SGR 23/3016
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling arbeidsongeschiktheid en weigering hogere WIA-uitkering na deskundigenonderzoek

Eiseres betwistte de door het UWV vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 76,70% per 29 april 2022 en vorderde een hogere uitkering. De rechtbank heeft het beroep behandeld en deskundigenonderzoeken laten verrichten door een longarts en een verzekeringsarts. Beide deskundigen concludeerden dat er geen medische grond was om de beperkingen hoger vast te stellen dan reeds door het UWV was gedaan.

De longarts stelde vast dat er geen sprake was van long COVID en dat de klachten verklaard konden worden door andere medische aandoeningen zoals een depressie, vitamine D-tekort en non-alcoholic fatty liver disease. De verzekeringsarts bevestigde dat de functionele mogelijkhedenlijst (FML) passend was en dat de beperkingen in uren en functies adequaat waren vastgesteld.

De rechtbank volgde het oordeel van de onafhankelijke deskundigen en oordeelde dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid had vastgesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor eiseres geen hogere uitkering ontvangt en ook geen proceskostenvergoeding krijgt.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het UWV is ongegrond verklaard en de vaststelling van 76,70% arbeidsongeschiktheid blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/3016

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. M. de Boorder,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),
gemachtigde: mr. B.M. de Wolff.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de mate waarin het Uwv eiseres arbeidsongeschikt heeft geacht bij de toekenning van haar uitkering. [1] Met het primaire besluit van 31 augustus 2022 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres vanaf 29 april 2022 (de datum in geding) vastgesteld op 76,70%. Met het bestreden besluit op bezwaar van 20 maart 2023 heeft het Uwv dit standpunt gehandhaafd en het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
1.1.
Eiseres is het daar niet mee eens omdat zij vindt dat het Uwv haar een uitkering had moeten toekennen naar een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. Aan de hand van wat eiseres in beroep tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd, beoordeelt de rechtbank of dit besluit juist is. De rechtbank betrekt daarbij de rapporten van de onderzoeken die in opdracht van de rechtbank door een deskundige longarts en verzekeringsarts zijn verricht.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit juist is en dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres niet hoger had hoeven vast te stellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en wat de gevolgen daarvan zijn.

Procesverloop

2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.1.
Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een aanvulling daarop.
2.2.
Eiser heeft nadere stukken overgelegd.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 31 januari 2024 op zitting behandeld, waarna het onderzoek is gesloten.
2.4.
Met de procesbeslissing van 29 februari 2024 heeft de rechtbank het vooronderzoek heropend om een medisch deskundige te benoemen voor het uitbrengen van advies aan de rechtbank. Het deskundigenonderzoek is verricht door dr. G. Jukema, longarts (Jukema).
2.5.
Op 16 januari 2025 heeft de rechtbank het verslag van het deskundigenonderzoek van Jukema van 26 november 2024 ontvangen.
2.6.
Het Uwv heeft op 13 februari 2025 schriftelijk zijn zienswijze op het verslag van het deskundigenonderzoek naar voren gebracht onder verwijzing naar een medische rapportage van een verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) van 13 februari 2025. Eiseres heeft geen gebruik gemaakt van de haar geboden gelegenheid om schriftelijk haar zienswijze op het verslag van het deskundigenonderzoek naar voren te brengen.
2.7.
De rechtbank heeft de behandeling van het beroep op de zitting van 12 juni 2025 voortgezet nadat eiseres, daartoe door de rechtbank in de gelegenheid gesteld, had aangegeven gebruik te willen maken van haar recht om op een nadere zitting te worden gehoord. De voortzetting van het onderzoek ter zitting is geschorst voor het benoemen van een tweede deskundige voor het verrichten van verzekeringsgeneeskundig onderzoek.
2.8.
Het tweede deskundigenonderzoek in deze zaak is verricht door drs. L.J.L Ploum, verzekeringsarts (Ploum) die op 6 oktober 2025 definitief verslag heeft uitgebracht. Het Uwv en eiseres hebben op respectievelijk 22 oktober 2025 en 18 november 2025 schriftelijk hun zienswijze op dit deskundigenrapport naar voren gebracht.
2.9.
Nadat geen der partijen binnen de daartoe door de rechtbank gestelde termijn te kennen heeft gegeven gebruik te willen maken van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten op 19 februari 2026.

Overwegingen

Inleiding
3. Eiseres is voor 39,89 uur per week werkzaam geweest als hoofd examenbureau. Haar dienstverband liep van 1 januari 2018 tot 1 september 2018. Met ingang van 3 september 2018 is eiseres een uitkering toegekend op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op 1 mei 2020 heeft zij zich vanuit de WW ziekgemeld. Bij beschikking van 2 september 2020 is haar met ingang van 31 juli 2020 een uitkering toegekend op grond van de Ziektewet (ZW). Op 10 februari 2022 heeft eiseres een uitkering aangevraagd op grond van de Wet WIA.
Besluitvorming
4.1.
Het primaire besluit is gebaseerd op een medisch rapport van 29 juni 2022 en een arbeidsdeskundig rapport van 28 augustus 2022. De beperkingen van eiseres zijn door de primaire verzekeringsarts vastgelegd in een functionele mogelijkhedenlijst (FML). De primaire verzekeringsarts heeft eiseres onderzocht op een spreekuur en heeft vastgesteld dat bij eiseres sprake is van een burn out en een depressieve episode. Zij heeft eiseres belastbaar geacht voor 30 uur per week in psychisch niet te belastend en lichamelijk niet te zwaar werk. De arbeidsdeskundige heeft eiseres vervolgens niet geschikt geacht voor de maatgevende arbeid. Hij heeft eiseres wel in staat geacht een drietal functies te verrichten, waarmee eiseres een loon kan verdienen dat afgezet tegen het maatmanloon een verlies aan verdiencapaciteit oplevert van 76,70%.
4.2.
Het bestreden besluit is gebaseerd op een medisch rapport van de verzekeringsarts b&b van 16 februari 2023 en een arbeidsdeskundig rapport van de arbeidsdeskundige b&b van 28 februari 2023. De verzekeringsarts b&b heeft geen aanleiding gezien af te wijken van het primaire medische oordeel. Ook de arbeidsdeskundige b&b heeft vervolgens geen aanleiding gezien af te wijken van de primaire arbeidsdeskundige conclusie. Op basis van deze rapporten is het Uwv gebleven bij de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres zoals vastgesteld in het primaire besluit.
Standpunt van eiseres
5. Eiseres voert in beroep samengevat aan dat haar beperkingen zijn onderschat. Zij stelt dat zij long COVID heeft; de huisarts heeft dat volgens haar bevestigd en zij is hiervoor onder behandeling. Daar is ten onrechte geen rekening mee gehouden. Verder stelt zij dat onvoldoende rekening is gehouden met haar depressieve klachten en hoge bloeddruk; haar vermoeidheidsklachten hebben niet geleid tot een urenbeperking. Verder stelt zij dat sprake is van een beperking in duurbelastbaarheid die in de geduide functies echter niet of onvoldoende tot uitdrukking komt. Zij heeft een langere herstelperiode nodig. Vanwege de diverse behandelingen die zij ondergaat, voor long COVID en depressie, is zij ook niet volledig beschikbaar. Uit het bestreden besluit blijkt niet waarom bij de drie geduide functies een andere urenbeperking geldt. Aanvullend heeft eiseres aangevoerd dat door het Uwv niet is meegenomen dat zij op de datum in geding in behandeling was en dat haar leverwaarden fors anders zijn dan normaal. Verder stelt eiseres dat onvoldoende wordt uitgelegd waarom zij ondanks de nog sterker afwijkende leverwaarden wel zou
kunnen functioneren en niet in nog verdere mate beperkt zou zijn. Verder wijst zij op berichten van het Uwv over de arbeidsongeschiktheid van mensen met langdurige coronaklachten/postcovidsyndroom (PCS).
Medisch onderzoek door deskundigen
6. De rechtbank heeft in hetgeen eiseres heeft aangevoerd over haar gezondheidsklachten en met name over de door haar gestelde klachten door long COVID aanleiding gezien Jukema als deskundige te benoemen voor het verrichten van een medisch onderzoek bij eiseres.
6.1.
In zijn rapport heeft Jukema geconcludeerd dat op de datum in geding bij eiseres sprake was van depressie, restklachten na doorgemaakte COVID 19-infectie, vitamine D-gebrek, non-alcoholic fatty liver disease [2] , verhoogde bloeddruk die met medicatie goed gereguleerd is en een verstoorde schildklierfunctie die tevens goed lijkt te zijn ingesteld. Jukema heeft vastgesteld dat bij eiseres geen sprake is van long COVID. Een doorgemaakte COVID-infectie in maart 2022 is niet zeker. Eiseres heeft die diagnose zelf gesteld en daarvoor ontbreekt het benodigde medische bewijs. Eiseres had toen algemene malaise klachten waarbij de leverfunctiestoornissen ook weer opspeelden naast recidief van haar depressieve klachten. Beide aandoeningen kunnen de algemene malaise klachten goed verklaren. Er zijn dan dus alternatieve medische diagnosen voorhanden. Zeker is dat eiseres in oktober 2022 een COVID-infectie heeft doorgemaakt. Na die infectie was er een periode van restklachten waarvan in januari 2023 met name de klachten van vermoeidheid en gebrek aan conditie resteerden. Na een fysiotherapeutisch traject waren deze klachten voor 50% afgenomen. Noch in het eindverslag van de fysiotherapeut, noch in de overige medische informatie en ook niet bij het eigen onderzoek zijn er aanwijzingen dat er sprake is van post-exertionele malaise (PEM). De nog resterende klachten zijn verklaarbaar vanuit de comorbiditeit / de pre-existentie voor diverse lichamelijke aandoeningen zoals de verhoogde leverfunctiewaarden/hypergammaglobilinemie bij non-alcoholic fatty liver disease, vitamine D-gebrek en een verminderde hartfunctie. Jukema heeft verder overwogen dat hem niet bekend is dat als gevolg van een doorgemaakte COVID-infectie en/of vaccinaties de leverfunctie verstoord kan raken. Ook is niet bekend dat COVID 19 van invloed is op de schildklierfunctie. Voorts kan niet worden vastgesteld dat de bij eiseres aanwezige klachten van hartkloppingen het gevolg zijn van de doorgemaakte COVID-infectie. Daarvoor ontbreekt de tijdsrelatie en zijn er alternatieve medische verklaringen. Een aanpassing van de FML vanwege long COVID is volgens Jukema niet aan de orde. Wel heeft hij in twijfel getrokken of voldoende rekening is gehouden met de andere aandoeningen van eiseres, zoals haar vitamine D-tekort en haar non-alcoholic fatty liver disease, die ook een verlaagd energieniveau geven en vermoeidheid.
6.2.
De tweede deskundige, Ploum, heeft in zijn rapport geconcludeerd dat gelet op het deskundigenrapport van Jukema en de beschikbare medische informatie de in de FML van 29 juni 2022 vastgestelde beperkingen passend zijn bij de belastbaarheid van eiseres per datum in geding. De klachten in maart 2022 worden door Jukema verklaard vanuit een samenloop van factoren - waaronder een recidiverende matige depressie, psychosociale overbelasting en een niet-helpende copingstijl - en niet vanuit een COVID 19-infectie of long COVID. De verzekeringsarts van het Uwv heeft in de FML reeds in voldoende mate beperkingen opgenomen in het persoonlijk en sociaal functioneren, die aansluiten bij de aard en ernst van dit klachtencomplex. Er is geen medische grond om meer of zwaardere beperkingen aan te nemen. De beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren (rubrieken 1 en 2) weerspiegelen de verminderde draagkracht, concentratieproblemen en emotionele kwetsbaarheid die passen bij de destijds aanwezige matige depressie en overbelasting. Ook in de rubrieken voor het statisch en dynamisch functioneren zijn de beperkingen voldoende afgestemd op de lichamelijke belastbaarheid, mede gezien de aanwezigheid van stabiele, langdurig bekende comorbiditeit zonder relevante verslechtering. Verder kan Ploum zich verenigen met het standpunt van de verzekeringsarts dat betrokkene per datum in geding geschikt was voor arbeid gedurende maximaal 6 uur per dag en 30 uur per week. Er zijn geen aanwijzingen voor een energetische of tijdgebonden indicatie die aanleiding zou geven voor een verdergaande urenbeperking. Jukema stelt dat er geen sprake is van post-exertionele malaise (PEM) of long COVID en dat de vermoeidheidsklachten verklaarbaar zijn vanuit psychische belasting en comorbiditeit. Een preventieve duurbeperking van 30 uur per week en 6 uur per dag blijft, mede gezien de matige depressie en vermoeidheid, passend om overbelasting te voorkomen.

Oordeel van de rechtbank

7. De vraag die in deze zaak centraal staat is of verweerder per de datum in geding (29 april 2022) in de FML de beperkingen van eiseres voor het verrichten van arbeid juist heeft vastgesteld.
8. Volgens vaste rechtspraak dient het oordeel van de door de rechter ingeschakelde onafhankelijke deskundige te worden gevolgd, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven van dat oordeel af te wijken. Het is namelijk bij uitstek de taak van de deskundige om bij verschil van inzicht tussen partijen over de medische beperkingen een (in principe) beslissend advies te geven. [3]
8.1
De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval geen aanleiding bestaat om van deze hoofdregel af te wijken. De deskundigenrapporten geven blijk van een zorgvuldig onderzoek. Eiseres is door de deskundigen onderzocht, waarbij de anamnese is afgenomen en Jukema een lichamelijk onderzoek heeft verricht. De rapporten van de deskundigen zijn ook inzichtelijk en consistent. De deskundigen hebben naast eigen onderzoek de in deze zaak beschikbare medische informatie in hun beoordeling betrokken. De enkele door eiseres gestelde omstandigheid dat Ploum in het verleden werkzaam is geweest voor het Uwv, wat daarvan ook zij, maakt niet dat Ploum daarom als partijdig moet worden aangemerkt. [4] In het rapport zijn voor bevooroordeling of vooringenomenheid van Ploum ook geen aanknopingspunten te vinden.
8.2.
De rechtbank constateert dat Jukema als datum in geding ten onrechte 25 december 2022 heeft genoemd. De datum in geding is immers 29 april 2022, zoals ook in de vraagstelling is vermeld. Dat Jukema een verkeerde datum in geding heeft genoemd, leidt echter niet tot een andere uitkomst. Jukema heeft immers geconcludeerd dat een COVID-infectie in maart 2022 niet zeker is. De latere infectie die wel zeker is, in oktober 2022, vond plaats na de datum in geding en heeft niet geleid tot de conclusie dat bij eiseres sprake is van long COVID.
8.3.
Uit de conclusie van Ploum volgt dat de FML de beperkingen van eiseres juist weergeeft. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van de medische beoordeling.
9. Omdat de rechtbank uitgaat van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen zoals opgenomen in de FML, ziet zij ook geen reden om de geduide functies ongeschikt te achten.

Conclusie en gevolgen

10. Gelet op het voorgaande heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres terecht per de datum in geding vastgesteld op 76,70%. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Namelijk een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
2.niet-alcoholische leververvetting
3.Zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 3 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3822.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 28 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:958.