Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8940

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
09-120141-24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 63 SrArt. 77a SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugddetentie voor poging woningoverval met bedreiging en gedeeltelijke toewijzing immateriële schadevergoeding

Op 25 december 2023 heeft de toen 15-jarige verdachte samen met medeverdachten geprobeerd een woning in Den Haag te overvallen met het oogmerk geld te stelen. Zij drongen de woning binnen terwijl familieleden aanwezig waren en bedreigden de aanwezigen, waaronder het roepen van de woorden 'steek hem'. De verdachte werd vervolgd voor poging tot diefstal met geweld en bedreiging.

De rechtbank verwierp het verweer tot nietigverklaring van de dagvaarding en verklaarde het merendeel van de tenlastelegging bewezen, met uitzondering van het richten van een mes op het slachtoffer. De rechtbank achtte de verklaringen van de slachtoffers betrouwbaar en concludeerde dat de bedreiging met de woorden 'steek hem' bewezen was.

Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met de ernst van het feit, de aanwezigheid van kinderen in de woning, het strafblad van de verdachte en zijn positieve persoonlijke ontwikkeling. De verdachte werd veroordeeld tot 100 dagen jeugddetentie, waarvan 97 voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, en een werkstraf van 80 uur. Tevens werd een immateriële schadevergoeding van €1.000 aan het slachtoffer toegekend, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 25 december 2023.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 100 dagen jeugddetentie (97 voorwaardelijk), 80 uur werkstraf en €1.000 immateriële schadevergoeding voor poging woningoverval met bedreiging.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 09-120141-24
Datum uitspraak: 30 maart 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte](hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres en verblijfsadres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 16 maart 2026.
De officier van justitie in deze zaak is mr. R.P. Tuinenburg en de raadsman van de verdachte is mr. R.A. van der Horst te Amsterdam. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort gezegd, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
een poging tot diefstal met (bedreiging met) geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] op 25 december 2023 in Den Haag.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De geldigheid van de dagvaarding

3.1
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om de dagvaarding (deels) nietig te verklaren, in elk geval voor het deel van de tenlastelegging vanaf ‘en deze poging diefstal te doen voorafgaan […]’. De raadsman stelt dat de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig is, omdat onder de ten laste gelegde gedachtestreepjes handelingen geen begin van uitvoering (en dus de poging) uitdrukken.
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele dagvaarding geldig is.
3.2
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat duidelijk is dat de opsteller van de tenlastelegging een poging tot diefstal met (bedreiging met) geweld ten laste heeft willen leggen, waarbij feitelijke (gewelds)handelingen zijn genoemd. De rechtbank vindt de tenlastelegging voldoende duidelijk en ziet hierin geen innerlijke tegenstrijdigheden die tot nietigheid van de dagvaarding zou moeten leiden. Een poging tot diefstal kan immers ook gepaard gaan met geweldshandelingen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de dagvaarding geldig is.

4.De bewijsbeslissing

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde, met uitzondering van de omschreven gedraging bij het derde gedachtestreepje, het richten en/of gericht houden van een mes op het lichaam van slachtoffer [slachtoffer 1] . Van dit onderdeel van de tenlastelegging heeft de officier van justitie vrijspraak gevraagd.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich namens de verdachte primair op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken zou moeten worden van de laatste twee gedachtestreepjes uit de tenlastelegging, namelijk het richten en/of gericht houden van een mes op het lichaam van [slachtoffer 1] en het roepen/zeggen van de woorden ‘steek hem neer’. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat alleen geweld in de meest minimale vorm bewezenverklaard kan worden.
4.3
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft als bijlage II de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
4.4
Bewijsoverwegingen
Steek hem
De raadsman heeft betoogd dat er onvoldoende bewijs is dat bij het incident buiten met de aangever ‘steek hem’ gezegd of geroepen is. Er is een kans dat de getuigen ( [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) elkaar beïnvloed hebben. Daarnaast is op de camerabeelden getuige [slachtoffer 2] niet te zien en heeft de verdachte hem ook niet gezien.
De rechtbank stelt vast dat de getuigen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben verklaard dat er bij de confrontatie buiten tussen [slachtoffer 1] , verdachte en van de medeverdachten ‘steek hem’ zou zijn geroepen. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van die verklaringen te twijfelen. Daarnaast heeft medeverdachte ( [medeverdachte] ) verklaard dat bij het incident buiten met de aangever de kinderen zijn langsgekomen die in het huis aanwezig waren. De medeverdachte heeft dus verklaard dat getuige [slachtoffer 2] wel bij het incident buiten aanwezig was. De rechtbank is daarom, in tegenstelling tot de verdediging, wel van oordeel dat dit deel van de tenlastelegging bewezenverklaard kan worden.
Richten mes op aangever
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet valt af te leiden dat de verdachte of zijn medeverdachte tijdens de confrontatie met de aangever een mes tevoorschijn hebben gehaald en dat mes op het lichaam van de aangever hebben gericht en/of langere tijd gericht hebben gehouden. Dat onderdeel van de tenlastelegging kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.
Conclusie
De rechtbank is daarom van oordeel dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen, met uitzondering van het derde gedachtestreepje, het richten en/of gericht houden van een mes op het lichaam van slachtoffer [slachtoffer 1] .
4.5
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 25 december 2023 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om geld,
toebehorend aan[slachtoffer 1] weg te nemen met het oogmerk om zich
datwederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen vergezellen en te doen volgen van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en tegen [slachtoffer 2] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf de vlucht mogelijk te maken,
- met bivakmutsen op naar de woning van die [slachtoffer 1] zijn gegaan en
- bij voornoemde woning hebben aangeklopt en op het moment dat [slachtoffer 2] de deur opende hem aan de kant
hebbengeduwd en vervolgens die woning zijn binnengedrongen en
- de woorden “steek hem”
hebbengezegd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

6.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7.De op te leggen straffen

7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 100 dagen, waarvan 97 voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en een werkstraf voor de duur van 80 uren.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft naar voren gebracht dat het opleggen van een jeugddetentie buitengewoon onwenselijk zou zijn voor de verdachte, gelet op de positieve stappen die hij heeft gezet. De raadsman bepleit het opleggen van een zo laag mogelijke en deels voorwaardelijke taakstraf.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapporten en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feitDe verdachte heeft zich op vijftienjarige leeftijd samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan een poging tot woningoverval. De verdachte is samen met één van de medeverdachten, beiden met een bivakmuts op, naar de woning van de aangever gegaan. Die was op dat moment zelf niet in de woning aanwezig, wel waren daar verschillende familieleden van hem aanwezig, waaronder kinderen. De verdachten hebben bij de woning aangeklopt en toen het minderjarige neefje van de aangever de deur opendeed, hebben zij hem door het verder openen van de deur aan de kant geduwd. Vervolgens zijn zij de woning binnengedrongen met als doel geld mee te nemen, dat volgens informatie van een andere medeverdachte in de woning moest zijn. Dat het bij een poging is gebleven, is niet aan de verdachten te danken. Zij zijn de woning ontvlucht nadat zij de stem van de opa van het neefje hoorden. Vervolgens vond er buiten de woning een confrontatie plaats tussen de verdachten en de aangever, die telefonisch door de familie op de hoogte was gebracht. Tijdens deze confrontatie hebben de verdachten gedreigd om hem te steken.
Deze gebeurtenis moet voor de personen in de woning zeer angstaanjagend zijn geweest. Ook voor de aangever, die ten tijde van de poging tot overval weliswaar niet aanwezig was zijn woning, maar wel nét op de hoogte was gesteld van het binnendringen door twee gemaskerde mannen. Temeer nu er vervolgens buiten met deze overvallers een confrontatie plaats vindt en aangever daarbij is bedreigd. Deze situatie moet voor hem zeer beangstigend zijn geweest.
Woningovervallen maken een ernstige inbreuk op het gevoel van veiligheid en de persoonlijke levenssfeer van de bewoners. Juist in je eigen woning zou iedereen zich veilig moeten kunnen voelen. Zulke strafbare feiten zorgen niet alleen bij de directe slachtoffers, maar ook bij omwonenden en in de samenleving als geheel voor gevoelens van onveiligheid. De verdachte heeft uitsluitend oog gehad voor zijn belang om geld te verkrijgen en hij heeft geen rekening gehouden met de impact op de slachtoffers. Waaronder de kinderen die in de woning aanwezig waren. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zeer aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 9 februari 2026, waaruit (onder andere) blijkt dat de verdachte is veroordeeld voor een geweldsmisdrijf, te weten een openlijke geweldpleging. Dit weegt in zijn nadeel mee. Daarnaast is artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) van toepassing.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 21 november 2025 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt – kort samengevat – dat de kans dat de verdachte opnieuw strafbare feiten pleegt als klein wordt ingeschat. Er zijn vooral veel beschermende factoren op het gebied van gezin, school, werk, vrije tijd, relaties en houding. Eerdere zorgen die er waren over de verdachte, zijn niet meer aan de orde. De verdachte heeft zich de periode tot aan de zitting aan de voorwaarden van zijn schorsing gehouden en is niet opnieuw met de politie in aanraking gekomen. De Raad ziet daarom geen aanleiding om de verdachte nog langer te laten begeleiden door een jeugdreclasseerder. De Raad adviseert een werkstraf op te leggen, maar kan zich gelet op de ernst van het feit ook voorstellen dat er een (voorwaardelijke) jeugddetentie wordt opgelegd. Een onvoorwaardelijke jeugddetentie zou de positieve ontwikkelingen (werk en opleiding) doorkruisen. De aanwezige jeugdreclasseerder sluit zich aan bij het advies van de Raad.
Redelijke termijn
De redelijke termijn waarbinnen een jeugdstrafzaak moet zijn afgedaan is zestien maanden. Die termijn is begonnen op 3 september 2024, toen de verdachte in verzekering werd gesteld. In deze zaak is de redelijke termijn op de uitspraakdatum met bijna 3 maanden overschreden. De rechtbank constateert dit, maar past, gelet op de relatief geringe overschrijding, geen strafvermindering toe. Het is onwenselijk dat de verdachte lang heeft moeten wachten op de berechting van zijn strafzaak, wel heeft de verdachte in dit geval laten zien dat hij zich gedurende een langere periode aan de voorwaarden van zijn schorsing kon houden en dat hij zijn leven een andere wending heeft gegeven. De rechtbank zal wel rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn bij het bepalen van de proeftijd.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Daarin is voor een woningoverval als uitgangspunt een jeugddetentie vanaf zes maanden opgenomen.
In strafverlagende zin houdt de rechtbank rekening met de nog jonge leeftijd van de verdachte ten tijde van het feit en met de positieve ontwikkeling die hij daarna heeft ingezet en ook heeft weten vast te houden. De verdachte volgt inmiddels een opleiding die bij hem past waarbij hij ook vier dagen in de week werkt. De rechtbank houdt verder rekening met het feit dat zijn voorlopige hechtenis sinds 5 september 2024 is geschorst en dat hij zich tijdens deze lange periode goed aan zijn schorsende voorwaarden heeft gehouden en steeds goed in contact met de jeugdreclassering is gebleven.
Gezien de aard en ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een (deels voorwaardelijke) jeugddetentie. De rechtbank is van oordeel dat het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie, gelet op de positieve ontwikkelingen die de verdachte inmiddels heeft doorgemaakt, niet langer moet zijn dan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Wat in het geval van de verdachte van zeer korte duur is geweest.
De weging van de hiervoor besproken omstandigheden leidt er toe dat de rechtbank een jeugddetentie voor de duur van 100 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht (te weten: 3 dagen), passend en geboden vindt. Van deze 100 dagen zullen 97 dagen jeugddetentie voorwaardelijk worden opgelegd. Dit betekent dat de verdachte niet naar de jeugdgevangenis hoeft, als hij geen nieuwe strafbare feiten pleegt. Gelet op wat hiervoor is overwogen zal de rechtbank de duur van de proeftijd - zoals ook door de officier van justitie gevorderd - op één jaar bepalen.
In de aard en ernst van het feit ziet de rechtbank aanleiding om aan de verdachte ook een taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen. De rechtbank vindt een werkstraf voor de duur van 80 uren passend en geboden.

8.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 1] , ter terechtzitting bijgestaan door mr. M.S.L. Leeflang, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van immateriële schade een bedrag van € 3.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijke veroordeling verzocht.
8.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie concludeert tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot € 1.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente, zodat aan alle drie de medeverdachten hetzelfde bedrag opgelegd wordt. De officier van justitie vordert daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de vordering afgewezen moet worden, omdat er geen causaal verband bestaat tussen het incident en de schade. Daarnaast stelt de verdediging zich op het standpunt dat de benadeelde partij onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van een ‘aantasting in de persoon op andere wijze’. Tot slot stelt de raadsman zich op het standpunt dat de schade, die volgens de advocaat van de benadeelde al vergoed is door het CJIB, dus niet meer voor vergoeding in aanmerking komt.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk geworden dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. De rechtbank is, in tegenstelling tot de verdediging, van oordeel dat er wel sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. De benadeelde partij heeft ter onderbouwing van zijn vordering een behandelplan ingediend van een psychologiepraktijk waaruit blijkt dat de benadeelde een posttraumatische stress-stoornis heeft als gevolg van de inbraakpoging. Daarmee is naar het oordeel van rechtbank voldoende onderbouwd dat hij aangetast is in zijn persoon en dat er een causaal verband bestaat tussen het bewezen verklaarde feit en zijn schade.
Het gevorderde bedrag van € 3.000,- is hoger dan wat doorgaans in min of meer vergelijkbare gevallen aan vergoeding van immateriële schade wordt toegewezen. De ter onderbouwing van de vordering aangehaalde uitspraken betreffen zaken waarin de feiten en daaruit voortvloeiende immateriële schade naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende vergelijkbaar zijn met de onderhavige zaak. Daarnaast is de schade in overwegende mate het gevolg van de confrontatie met en bedreiging door de verdachten ná de poging tot woningoverval; de benadeelde partij was bij dat incident zelf niet aanwezig. Dat hij telefonisch van zijn vader hoorde dat men zijn woning zojuist, gemaskerd, was binnengedrongen, zal zeker hebben bijgedragen aan de mentale impact, maar is van minder indringende aard en omvang. In dat licht is aansluiting bij de aangehaalde categorie van de Rotterdamse schaal naar het oordeel van de rechtbank niet, althans niet zonder enige matiging, aangewezen.
Gelet op de toelichting op de vordering en met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1.000,-. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van het overige deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 25 december 2023, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 1.000,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 25 december 2023 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
36f, 45, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 4.5 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
poging tot diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf de vlucht mogelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straffen
veroordeelt de verdachte tot:
een
jeugddetentievoor de duur van
100 DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht
(door de rechtbank vastgesteld op 3 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt, dat een gedeelte van die straf, te weten
97 DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
een jaarvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
veroordeelt de verdachte daarnaast tot:
een
taakstraf, bestaande uit een
werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van
80 UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van
40 DAGEN;
de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gedeeltelijk en hoofdelijk toe tot een bedrag van € 1.000,- aan immateriële schade, en veroordeelt de verdachte dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente vanaf 25 december 2023 tot aan de dag der algehele vergoeding, te betalen aan [slachtoffer 1] ;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;
bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededaders de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] te betalen € 1.000,- , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 december 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s), tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S. van der Harg, kinderrechter, voorzitter,
mr. M.J.L. van der Waals, kinderrechter,
en mr. M.J. Bouwman, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.T. Verlinde, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 maart 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 25 december 2023 te ‘s-Gravenhage
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn/haar mededader(s) voorgenomen
misdrijf om geld en/of goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele
aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar
mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen
en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen
volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of tegen
[slachtoffer 2] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te
bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf
en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken,
hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
- met bivakmutsen op naar de woning van die [slachtoffer 1] is/zijn gegaan en/of
- bij voornoemde woning heeft/hebben aangeklopt en/of op het moment dat [slachtoffer 2]
de deur opende hem (hardhandig) aan de kant geduwd en vervolgens
die woning is/zijn binnengedrongen en/of
- een mes op het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft/hebben gericht en/of langere
tijd gericht gehouden en/of
- daarbij de woorden “steek hem neer”, in ieder geval woorden van gelijke
dreigende aard en/of strekking heeft geroepen/gezegd,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;