In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedaan op 22 januari 2026, gaat het om een opvolgend beroep van meerdere eisers tegen de minister van Asiel en Migratie. De eisers hebben eerder aanvragen ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf, maar de minister heeft niet tijdig beslist op deze aanvragen. De rechtbank heeft in een eerdere procedure de minister opgedragen om vóór 30 juli 2025 een beslissing te nemen, maar deze termijn is overschreden. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is.
De rechtbank constateert dat het dossier mogelijk niet compleet is, omdat de minister nog documenten moet beoordelen en van plan is om een herstelverzuim te sturen. Desondanks bepaalt de rechtbank dat de minister binnen vier weken na de bekendmaking van deze uitspraak een beslissing moet nemen op de aanvragen. Indien de minister deze termijn overschrijdt, moet hij een dwangsom van € 100,- per dag betalen, met een maximum van € 15.000,-.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van de eisers, vastgesteld op € 467,-. De uitspraak is gedaan door rechter M. Munsterman en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. De eisers zijn vrijgesteld van het griffierecht, en de rechtbank heeft de minister opgedragen om binnen de gestelde termijn een besluit te nemen.