AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag van 20 juni 2025 niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening.
De rechtbank beoordeelt het beroep zonder zitting en verklaart het ongegrond. Eiser stelde dat op grond van artikel 17 vanPro de Dublinverordening de minister zijn aanvraag onverplicht had moeten behandelen vanwege een reëel en bewezen risico op een onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand bij overdracht naar Duitsland. Dit beroep op het arrest C.K. e.a. faalt omdat eiser geen objectieve medische gegevens heeft overgelegd die dit risico aantonen.
Daarnaast heeft eiser niet onderbouwd dat hij in Duitsland niet of onvoldoende medische zorg zal ontvangen. De minister mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en de naleving van internationale verplichtingen door Duitsland. De rechtbank handhaaft het besluit en wijst het beroep af, zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.152
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. W.J. Rohlof),
en
de minister van Asiel en Migratie,
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 26 december 2025. De minister heeft in dit besluit bepaald de asielaanvraag van eiser van 20 juni 2025 niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. [1]
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. [2] In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek geaccepteerd.
Artikel 17 vanPro de Dublinverordening5. Eiser voert aan dat de minister eisers asielaanvraag onverplicht in behandeling moet nemen op grond van artikel 17 vanPro de Dublinverordening. Eiser doet een beroep op het arrest C.K. e.a. [3] Een overdracht naar Duitsland zal een reëel en bewezen risico zijn op een onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van eiser. De minister moet de twijfel over de gevolgen van de overdracht wegnemen door voorzorgsmaatregelen te treffen of de overdracht op te schorten.
5.1.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat uit het arrest C.K. e.a. volgt dat het aan de vreemdeling is om objectieve gegevens over te leggen die de bijzondere ernst van de gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. [4] Eiser heeft zijn gestelde medische problematiek in beroep niet onderbouwd. Hiermee heeft eiser dan ook niet onderbouwd dat zijn overdracht naar Duitsland een reëel en bewezen risico inhoudt op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestanden en dat de minister om die reden twijfel over de gevolgen van de overdracht moet wegnemen door de benodigde voorzorgsmaatregelen gedurende de overdracht te treffen of de overdracht op had moeten schorten. Het beroep op het arrest C.K. e.a. slaagt daarom niet.
5.2.
Indien en voor zover eiser medische zorg nodig heeft, heeft eiser ook niet onderbouwd dat deze hem in Duitsland niet of onvoldoende ter beschikking zal staan. De minister mag er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uitgaan dat Duitsland de internationale verplichtingen nakomt, zoals die bijvoorbeeld volgen uit de Opvangrichtlijn. [5] Niet is gebleken dat Duitsland zich daar in het algemeen niet aan houdt of zich daar in eisers geval niet aan zal houden. Eiser heeft daar ook niets over aangevoerd. Los daarvan mag van eiser worden verwacht dat, voor zover hij meent dat Duitsland niet aan zijn specifieke medische behoeften kan voldoen, hij zich wendt tot de (hogere) Duitse autoriteiten. Niet is gebleken dat de autoriteiten van Duitsland hem niet zouden kunnen of willen helpen.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
Voetnoten
1.Artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Dit staat in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.HvJ 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127 (in de zaak C.K. e.a. tegen Slovenië).
5.Op grond van artikel 19 vanPro de Opvangrichtlijn dragen de lidstaten er zorg voor dat verzoekers de nodige medische zorg ontvangen, die ten minste de spoedeisende behandelingen en de essentiële behandeling van ziekten en ernstige mentale stoornissen omvat. Ook verstrekken de lidstaten de noodzakelijke medische of andere zorg aan verzoekers met bijzondere opvangbehoeften, inclusief, indien nodig, passende geestelijke gezondheidszorg.