Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9067

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
24/8468
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende bewijs verblijf in Leiden

Eiser heeft een aanvraag om bijstand ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden, waarbij hij aangaf dakloos te zijn. Het college wees de aanvraag af omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij feitelijk in Leiden verbleef. Eiser voerde aan dat hij bij vrienden in Leiden verbleef, maar kon dit niet verifiëren vanwege angst van zijn vrienden voor problemen met hun huisbaas.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende controleerbare gegevens had verstrekt over zijn verblijfplaats, zoals vereist volgens vaste rechtspraak. Het door het college gevraagde formulier 'Opgave verblijfsadressen' was onvolledig en de verstrekte bankafschriften wezen vooral op verblijf buiten Leiden. Het aanbod van eiser om een medewerker van de gemeente ’s avonds zijn verblijfplaats te laten zien, werd afgewezen omdat het college niet verplicht is na werktijd een pand te betreden zonder toestemming.

De rechtbank concludeerde dat het college terecht de aanvraag om bijstand heeft afgewezen omdat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard, het griffierecht werd niet teruggegeven en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens onvoldoende bewijs van verblijf in Leiden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8468

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden

(gemachtigde: [gemachtigde])

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een bijstandsuitkering. Eiser is het daarmee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend om bijstand op grond van de Participatiewet. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 15 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 september 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiser deelgenomen. De gemachtigde van het college is met bericht van verhindering niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

3. Op 4 april 2024 heeft eiser een aanvraag om een bijstandsuitkering ingediend. Eiser heeft op zijn aanvraagformulier ingevuld dat hij dakloos is.
3.1.
In de brief van 16 april 2024 heeft het college eiser bericht dat zijn aanvraag niet kan worden afgehandeld omdat nog een aantal gegevens mist. Onder meer dient eiser een formulier “Opgave verblijfadressen” in te vullen en bij het college in te leveren.
3.2.
Eiser heeft gegevens bij het college ingeleverd, waaronder het formulier “Opgave verblijfsadressen” en afschriften van zijn bankrekening.
3.3.
In het besluit van 15 mei 2024 heeft het college besloten eisers aanvraag om een bijstandsuitkering af te wijzen. In het bestreden besluit heeft het college dit besluit gehandhaafd. Het college stelt zich daarbij op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij feitelijk in de gemeente Leiden verblijft. Het recht op bijstand is dan ook niet vast te stellen. Eiser heeft als aanvrager niet aannemelijk gemaakt dat hij recht heeft op bijstand van de gemeente Leiden. Eiser heeft bij zijn aanvraag geen duidelijkheid gegeven over zijn verblijfsadressen. Hij heeft bij zijn aanvraag alleen verblijfsadressen opgegeven die buiten de gemeente Leiden liggen. Hij heeft aangegeven dat hij de verblijfsadressen bij vrienden in Leiden niet kan doorgeven uit angst dat dit gevolgen heeft voor zijn vrienden. Het college stelt dat deze keuze voor zijn rekening blijft. Eiser is immers wel in staat om de adressen door te geven maar kiest ervoor dit niet te doen. Een oplossing voor hem zou kunnen zijn de opvang bij [instantie] (daklozenopvang). Dat eiser daarvan geen gebruik wil maken komt voor zijn eigen rekening en risico, aldus het college.
3.4.
Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Zijn aanvraag had moeten worden toegekend, zodat hij in zijn levensonderhoud kan voorzien. Eisers sociale leven ligt in Leiden. Ook overnacht hij bij vrienden in Leiden, maar deze vrienden willen hierover geen verklaring afleggen omdat ze bang zijn voor problemen met hun huisbaas. Ter zitting heeft eiser hieraan toegevoegd dat hij een medewerker van de gemeente tijdens een gesprek heeft aangeboden te laten zien in welk pand hij zijn verblijfplaats heeft. Dat zou dan in de avond moeten gebeuren, omdat hij er niet legaal verblijft. De medewerker van de gemeente is echter niet op zijn verblijfplaats komen kijken, aldus eiser.
3.5.
Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nodig zijn om die aanvraag te kunnen inwilligen. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen, onder meer over zijn woon- en verblijfplaats. Volgens vaste rechtspraak [1] kan ook van iemand die stelt dak- of thuisloos te zijn worden gevergd dat hij controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats. Vervolgens is het aan de bijstandverlenende instantie om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de aanvrager niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
3.6.
Om te controleren of eiser in Leiden verblijft, kan het college eiser verzoeken gegevens te overleggen waaruit blijkt wat zijn feitelijke verblijfplaats is. Dat kan op verschillende manieren. Eén van de manieren die daartoe geschikt is – de manier die is gekozen door het college - is het door eiser laten invullen van een formulier “Opgave verblijfsadressen”. Het college heeft eiser verzocht om een volledig ingevuld formulier in te dienen, met op dat formulier de vermelding van datum, adres of locatie, plaats en naam en telefoonnummer van de persoon bij wie hij heeft verbleven, en waar hij heeft gegeten. Verder dient eiser een aantal andere gegevens te verstrekken, waaronder afschriften van bankrekeningen. Eiser heeft op het formulier vier adressen waarvan twee met huisnummer vermeld, met vermelding van woonplaatsen die niet in de gemeente Leiden liggen, en vermelding van namen, zonder daarbij de vermelding van een telefoonnummer van deze personen, en zonder data. Verder heeft hij als vijfde locatie “auto” ingevuld, zonder vermelding op welke locatie hij in die auto heeft overnacht. Uit het formulier blijkt niet dat eiser in de betreffende periode in de gemeente Leiden heeft verbleven, terwijl ook de informatie niet voldoende concreet en verifieerbaar is. Ook heeft hij nadien geen voldoende concrete en verifieerbare gegevens van verblijfsadressen in de gemeente Leiden verstrekt. Ook uit de door hem overgelegde afschriften van zijn bankrekening blijkt dat veruit de meeste pinbetalingen buiten Leiden hebben plaatsgevonden, hetgeen niet wijst op een verblijf van eiser in Leiden. Het aanbod van eiser om aan medewerkers van de gemeente ’s avonds de plaats te laten zien waar hij illegaal verbleef mocht het college afwijzen, omdat van het college niet kan worden gevraagd om ‘s avonds na werktijd een pand binnen te gaan zonder medeweten of toestemming van de rechthebbende. Het college heeft gezien het voorgaande terecht besloten dat de aanvraag om bijstand wordt afgewezen, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij feitelijk verblijft in Leiden.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond en de afwijzing van de aanvraag blijft in stand. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van
mr.I. Geerink-van Loon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3248