ECLI:NL:RBDHA:2026:9070

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
NL25.64118
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 3 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 20 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Kroatië afgewezen

Eiser, een Jordaanse asielzoeker geboren in 2007, diende op 7 november 2025 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening, aangezien uit het Eurodac-systeem bleek dat eiser eerder asiel had aangevraagd in Kroatië.

Eiser betwistte dit besluit en voerde aan dat Kroatië hem niet adequaat zou behandelen, verwijzend naar het AIDA-rapport over Kroatië en zijn persoonlijke ervaringen van mishandeling en slechte behandeling door de Kroatische autoriteiten. Hij stelde dat zijn asielaanvraag daarom inhoudelijk in Nederland behandeld had moeten worden op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.

De rechtbank overwoog dat binnen de EU het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waarbij alleen kan worden afgeweken als sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of opvang in de verantwoordelijke lidstaat. De rechtbank stelde vast dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat dergelijke tekortkomingen bestaan voor asielzoekers die via een terugnameakkoord worden overgedragen aan Kroatië. Zijn eerdere ervaringen vonden plaats voordat de Dublinverordening op hem van toepassing was.

Daarom was er geen reden om het besluit te herzien of de asielaanvraag inhoudelijk te behandelen. Het beroep werd dan ook ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.64118

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F.A. van den Berg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

In het besluit van 30 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Kroatië daarvoor verantwoordelijk is.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2007 en de Jordaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 7 november 2025 asiel aangevraagd in Nederland.
2. In het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 omdat Kroatië daarvoor verantwoordelijk is. Uit het Eurodac-systeem is namelijk gebleken dat eiser eerder asiel heeft aangevraagd in Kroatië. In het Eurodac-systeem registreren de lidstaten van de Europese Unie aan de hand van vingerafdrukken onder meer waar en wanneer iemand asiel aanvraagt. Op 28 november 2025 hebben de Kroatische autoriteiten het verzoek om eiser terug te nemen geaccepteerd op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening).
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat verweerder er niet vanuit mocht gaan dat de autoriteiten van Kroatië hem na overdracht adequaat zullen behandelen. Daarbij wijst hij op het ‘Country Report: Croatia. 2024 Update’ van AIDA van augustus 2025. Ook wijst hij erop dat verweerder zijn verklaringen niet heeft betwist dat hij eerder in Kroatië is geslagen en bestolen door de politie, dat hij niet de gelegenheid kreeg om asiel aan te vragen of een klacht in te dienen en dat hij werd gedwongen om zonder eten of drinken door een bos naar Slovenië te lopen. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder vanwege deze omstandigheden zijn asielaanvraag inhoudelijk had moeten behandelen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Binnen de Europese Unie geldt het uitgangspunt dat de lidstaten er over en weer op kunnen vertrouwen dat het Europese recht wordt nageleefd. Bij het beantwoorden van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor het behandelen van een asielaanvraag, kan alleen van dit uitgangspunt worden afgeweken als een asielzoeker aannemelijk maakt dat er in de verantwoordelijke lidstaat sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen. Dit staat in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening.
5. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de hoogste Nederlandse rechter in onder meer vreemdelingenzaken, heeft ook in uitspraken van na het door eiser aangehaalde AIDA-rapport bevestigd dat ten aanzien van Kroatië mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Bijvoorbeeld de uitspraak van 21 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5635. Voor zover de inhoud van het recentste AIDA-rapport daarbij niet betrokken zou zijn, geldt dat uit de door eiser aangehaalde pagina 29 van dit rapport niet alsnog blijkt van systematische tekortkomingen. Het gaat hierbij namelijk om informatie uit 2024 over gewelddadige en vernederende behandeling door grenswachten.
6. In het geval van eiser moet niet worden beoordeeld wat de situatie is van immigranten die zich aan de grens melden. Beoordeeld moet worden wat de situatie is van asielzoekers die na een expliciet terugnameakkoord gereguleerd worden overgedragen. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat voor deze personen sprake is van systematische tekortkomingen, moet er vanuit worden gegaan dat eiser na overdracht aan Kroatië adequaat zal worden behandeld. Eisers eerder ervaringen in Kroatië maken dit niet anders, omdat toen de Dublinverordening nog niet op hem van toepassing was.
7. Hieruit vloeit verder voort dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om eisers asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
8. De conclusie is dat het beroep kennelijk ongegrond is. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand.
9. Er is daarom geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 10 april 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.