ECLI:NL:RBDHA:2026:908
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging rechtmatig verblijf van een Unieburger in Nederland
Deze uitspraak betreft de beëindiging van het rechtmatig verblijf van een Bulgaarse Unieburger in Nederland. De rechtbank heeft op 20 januari 2026 geoordeeld dat de minister van Asiel en Migratie terecht heeft vastgesteld dat het rechtmatig verblijf van eiser is geëindigd. Eiser, die sinds 2010 in Nederland verblijft, heeft een kind met de Nederlandse nationaliteit en heeft in het verleden gewerkt, maar heeft ook een geschiedenis van strafbare feiten en een beroep op bijstand. De minister heeft in zijn besluit van 21 augustus 2023 vastgesteld dat eiser sinds 24 oktober 2022 niet meer voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf als Unieburger. De rechtbank heeft de belangenafweging van de minister beoordeeld en geconcludeerd dat deze niet onterecht in het nadeel van eiser is uitgevallen. Eiser heeft onvoldoende aangetoond dat hij een zware belasting voor de openbare middelen vormt en dat er belemmeringen zijn voor zijn terugkeer naar Bulgarije. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat er geen sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiser en zijn vriendin, en dat de belangen van het kind niet voldoende zwaar wegen om de belangenafweging te herzien. Het beroep van eiser is ongegrond verklaard, wat betekent dat hij geen gelijk krijgt en geen vergoeding van proceskosten ontvangt.