ECLI:NL:RBDHA:2026:908

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
NL24.7878
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging rechtmatig verblijf van een Unieburger in Nederland

Deze uitspraak betreft de beëindiging van het rechtmatig verblijf van een Bulgaarse Unieburger in Nederland. De rechtbank heeft op 20 januari 2026 geoordeeld dat de minister van Asiel en Migratie terecht heeft vastgesteld dat het rechtmatig verblijf van eiser is geëindigd. Eiser, die sinds 2010 in Nederland verblijft, heeft een kind met de Nederlandse nationaliteit en heeft in het verleden gewerkt, maar heeft ook een geschiedenis van strafbare feiten en een beroep op bijstand. De minister heeft in zijn besluit van 21 augustus 2023 vastgesteld dat eiser sinds 24 oktober 2022 niet meer voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf als Unieburger. De rechtbank heeft de belangenafweging van de minister beoordeeld en geconcludeerd dat deze niet onterecht in het nadeel van eiser is uitgevallen. Eiser heeft onvoldoende aangetoond dat hij een zware belasting voor de openbare middelen vormt en dat er belemmeringen zijn voor zijn terugkeer naar Bulgarije. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat er geen sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiser en zijn vriendin, en dat de belangen van het kind niet voldoende zwaar wegen om de belangenafweging te herzien. Het beroep van eiser is ongegrond verklaard, wat betekent dat hij geen gelijk krijgt en geen vergoeding van proceskosten ontvangt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.7878

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. I. Petkovski),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vaststelling dat eisers rechtmatig verblijf als burger van een andere EU-lidstaat (Unieburger) in Nederland is geëindigd. Eiser is het niet eens met die vaststelling. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de vaststelling.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de vaststelling dat eisers rechtmatig verblijf als Unieburger in Nederland is geëindigd in stand kan blijven. De minister heeft de belangenafweging die hij bij de vaststelling dat eisers rechtmatig verblijf als Unieburger is geëindigd niet ten onrechte in het nadeel van eiser laten uitvallen. Ook heeft de minister eiser niet aanvullend in persoon hoeven horen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft met het besluit van 21 augustus 2023 vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf als Unieburger in Nederland meer heeft. Met het bestreden besluit van 31 januari 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst om de minister de gelegenheid te geven een uittreksel van eisers justitiële documentatie over te leggen. Op dezelfde dag heeft de minister dat gedaan. Eiser heeft hier op 27 oktober 2025 per brief op gereageerd.
2.4.
De partijen hebben de rechtbank vervolgens toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder een aanvullende zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten
3. Eiser heeft de Bulgaarse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum 1] 1994. Hij heeft een kind met de Nederlandse nationaliteit, dat is geboren op [geboortedatum 2] 2021. Sinds 2010 is eiser voor afwisselende periodes in- en uitgeschreven geweest in de Basisregistratie personen (BRP). Uit een uittreksel van zijn justitiële documentatie blijkt dat hij sinds 2014 meerdere strafbare feiten heeft gepleegd. Hij heeft in maart en april 2022 voor het laatst in loondienst gewerkt. Vanaf 9 januari 2023 ontving eiser een bijstandsuitkering in het
kader van de Participatiewet.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft vastgesteld dat eiser sinds 24 oktober 2022 geen rechtmatig verblijf meer heeft als Unieburger in Nederland. Eiser kan vanaf dat moment namelijk niet meer als werkend Unieburger [1] worden aangemerkt, en ook niet als Unieburger met voldoende middelen. [2] Het is daarnaast niet gebleken dat eiser op grond van een andere bepaling rechtmatig verblijf heeft. Vervolgens heeft de minister een belangenafweging verricht om te bepalen of die vaststelling evenredig is. Die belangenafweging valt volgens de minister uit in het nadeel van eiser. Ook is de minister tot de conclusie gekomen dat het recht op respect voor gezinsleven [3] niet in de weg staat aan de vaststelling dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft als Unieburger.
Het wettelijk kader
5. Onder bepaalde voorwaarden – zoals het hebben van werk in loondienst of als zelfstandige – heeft een Unieburger langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland. [4] Wanneer de Unieburger niet meer aan die voorwaarden voldoet, eindigt in beginsel het rechtmatig verblijf. Bij het nemen van een beëindigingsbesluit verricht de minister een belangenafweging om te bepalen of de vaststelling dat het verblijf is geëindigd wel evenredig is, ook als de Unieburger een beroep doet op de bijstand. [5] Bij de belangenafweging moet de minister de volgende omstandigheden betrekken: de duur van het verblijf, de banden die de Unieburger nog heeft met het land van herkomst, de gezinssituatie, de medische situatie en de leeftijd van de Unieburger, de mate van sociale zekerheidspremies die de Unieburger heeft betaald en de mate van integratie in Nederland van de Unieburger. Ook de duur, frequentie en omvang van het beroep dat de Unieburger op de bijstand heeft gedaan, de (overige) beroepen op (sociale) voorzieningen, de reden waarom de Unieburger tijdelijk dan wel permanent niet in staat is om in zijn levensonderhoud te voorzien en of de Unieburger in de toekomst nog bijstand nodig zal hebben, zijn omstandigheden die de minister bij de belangenafweging moet betrekken.
Eisers aanwezigheid in Nederland
6. De rechtbank stelt vast dat allereerst in geschil is of eiser in Nederland aanwezig was in de periodes dat hij niet in de BRP ingeschreven stond. De rechtbank stelt in dat verband voorop dat niet in geschil is dat eiser sinds oktober 2022 niet aan de voorwaarden voldoet voor rechtmatig verblijf als Unieburger. In zoverre is de vraag of hij sinds 2010 wel of niet ononderbroken in Nederland is geweest, niet relevant. De vraag of eiser in Nederland aanwezig was, speelt slechts een rol bij de vraag of de minister de belangenafweging in het nadeel van eiser mocht laten uitvallen. Die vraag zal onder 7 worden besproken.
6.1.
Bij de beoordeling van de vraag of de minister de belangenafweging in het nadeel van eiser mocht laten uitvallen, zal de rechtbank ervan uitgaan dat eiser onafgebroken in Nederland is geweest sinds 2010. De rechtbank ziet geen aanleiding om eraan te twijfelen dat eiser sinds 2010 nagenoeg onafgebroken in Nederland is geweest, omdat hij een logische verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij bepaalde periodes niet in de BRP ingeschreven stond, namelijk zijn periodes van verslaving en dakloosheid. Hoewel de minister formeel gelijk heeft dat ook daklozen zich ergens moeten inschrijven, volgt de rechtbank de verklaring van eiser dat dat in de praktijk niet het geval is. Bovendien blijkt uit eisers justitiële documentatie dat hij strafbare feiten in Nederland heeft gepleegd in twee van de periodes waarin hij niet in de BRP ingeschreven stond. Eiser moet in die periodes dus wel in Nederland aanwezig zijn geweest. Aangezien de gemachtigde van de minister tijdens de zitting heeft verklaard dat de belangenafweging niet anders zou zijn uitgevallen als wordt aangenomen dat eiser de gehele periode vanaf 2010 wél in Nederland aanwezig was en dit ook volgt uit de overwegingen in het besluit, maakt dit echter nog niet dat het beroep gegrond is.
Heeft de minister de belangenafweging die hij bij de vaststelling moet verrichten niet ten onrechte in het nadeel van eiser laten uitvallen?
7. Eiser voert aan dat de minister een ondeugdelijke belangenafweging heeft verricht bij de vaststelling dat zijn rechtmatig verblijf als Unieburger in Nederland is geëindigd. De minister weegt in eisers nadeel mee dat hij een zware belasting voor de openbare middelen vormt en zal blijven vormen, maar heeft dit niet gemotiveerd. De minister erkent namelijk zelf dat er periodes zijn geweest waarin eiser heeft gewerkt. Eiser was dus niet volledig inactief op de arbeidsmarkt. Ook heeft de minister hierbij onvoldoende meegewogen dat het als dakloze vaak lastig is om een goede baan te vinden en aan het werk te gaan. Verder is eiser in Nederland opgegroeid en Nederland is het enige land waar hij vanaf zijn pubertijd heeft verbleven. De minister stelt dan ook ten onrechte dat eiser in een ander land is opgegroeid en dat hij grotendeels buiten Nederland heeft gewoond. Ook heeft de minister in de belangenafweging betrokken dat niet is gebleken van een geslaagde integratie, maar dat is geen voorwaarde die daarbij een rol speelt. Eiser heeft ook geen banden met Bulgarije.
Dat hij de Bulgaarse of Turkse taal beheerst, betekent niet meteen dat hij banden heeft met dat land. De minister neemt die banden dus ten onrechte aan. Voorts heeft de minister de medische situatie van eiser onjuist meegewogen. Eisers verslavingsproblematiek en psychologische problemen maken dat het een en ander in mindere mate aan hem kan worden toegerekend, bijvoorbeeld het feit dat hij op dit moment niet in de kosten van zijn levensonderhoud kan voorzien. De medische situatie zou dus in zijn voordeel moeten worden meegenomen. Van een verslaafde dakloze kan namelijk minder worden verwacht.
7.1.
Eiser voert verder aan dat zijn gezinssituatie onvoldoende is meegewogen. Er is sprake van familie- of gezinsleven tussen hem en zijn vriendin. Eiser wijst hierbij op een schriftelijke verklaring van zijn vriendin, die de relatie bevestigt. De minister heeft ten onrechte gesteld dat samenwonen een belangrijke indicatie is dat in voldoende mate invulling wordt gegeven aan een relatie. Dit volgt niet uit de wet of beleidsregels. Daarbij komt dat personen met een beperking of die hulpbehoevend zijn op een andere manier leven en op een andere manier invulling geven aan een relatie. Verder is het vanwege de verslavingsproblematiek van eiser en de moeilijke situatie waar zowel eiser als zijn vriendin in zaten niet onaannemelijk dat hun relatie onder druk daarvan het nodige te lijden heeft gehad. De relatie is daarom niet in alle lagen van de stukken te vinden en benoemd. Eiser wijst hierbij ten slotte op de brief van MaNaCare van 9 april 2024. Verder zijn er objectieve belemmeringen voor eiser om zich met zijn vriendin en zijn kind te vestigen in Bulgarije.
7.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft de belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van eiser laten uitvallen. Allereerst heeft de minister voldoende gemotiveerd dat eiser een zware belasting voor de openbare middelen heeft gevormd tijdens zijn verblijf in Nederland. De minister heeft er namelijk terecht op gewezen dat eiser maar drie maanden in loondienst heeft gewerkt, terwijl hij ongeveer 28 maanden een beroep heeft gedaan op bijstand. Eiser heeft dus amper premies en belastingen afgedragen in Nederland. De minister heeft ook voldoende gemotiveerd dat het aannemelijk is dat eiser een zware last voor de openbare middelen zal blijven vormen, door te wijzen op zijn langdurige, herhaaldelijke beroep op bijstand, zijn verslavingsproblematiek en periodes van dakloosheid. De minister heeft hierbij ook terecht overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op zoek is naar werk om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Verder heeft de minister bij de belangenafweging mogen betrekken dat er geen sprake is van een geslaagde integratie in de Nederlandse samenleving. Gelet op wat onder 5 is overwogen, is dat immers een omstandigheid die de minister daarbij mee moet nemen. De minister heeft er in dat kader op mogen wijzen dat eiser sinds 2014 regelmatig in aanraking is gekomen met justitie – zijn strafblad kent inmiddels 20 pagina’s – waardoor eiser bovendien een grote last is geweest voor de Nederlandse samenleving. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de moeilijke situatie waarin eiser zich door zijn problematiek bevindt, wordt eiser niet gevolgd in zijn betoog dat zijn beroep op de algemene middelen en de overlast die hij heeft veroorzaakt niet in zijn nadeel mogen worden meegewogen vanwege die problematiek. Tijdens de zitting heeft de minister er namelijk terecht op gewezen dat de problematiek waar eiser mee kampt nu al jaren speelt. Eiser is al sinds de periode 2013-2015 in beeld bij hulpverleningsinstanties. Ook heeft de minister er terecht op gewezen dat eiser in september 2024 weer een winkeldiefstal heeft gepleegd, terwijl hij in de hoorbrief van 17 januari 2024 had aangegeven zijn leven te zullen beteren. Verder heeft de minister niet ten onrechte in het nadeel van eiser meegewogen dat eiser nog relatief jong is en de Bulgaarse nationaliteit bezit. Ook heeft de minister niet ten onrechte in eisers nadeel meegewogen dat eiser weliswaar sinds zijn zestiende in Nederland is, maar dat hij in Bulgarije is opgegroeid en daar een groot deel van zijn leven heeft verbleven. Eiser heeft er immers tot zijn zestiende gewoond en is er naar school geweest. Ook is het daarom aannemelijk dat eiser de Bulgaarse taal spreekt. Gelet daarop heeft de minister ook niet ten onrechte in eisers nadeel meegewogen dat eiser banden heeft met Bulgarije. Ten slotte heeft de minister terecht overwogen dat er geen belemmeringen voor eiser zijn om terug te keren naar Bulgarije, nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van omstandigheden in Bulgarije die het voor hem onmogelijk maken om er te verblijven.
7.3.
De minister heeft de gezinssituatie van eiser niet ten onrechte onvoldoende gevonden om tegen de onder 7.2 genoemde omstandigheden op te wegen. De rechtbank stelt vast dat eiser een minderjarig kind heeft in Nederland, en dat de minister gezinsleven tussen hen heeft aangenomen omdat eiser het kind heeft erkend. Eiser stelt daarnaast een vriendin te hebben in Nederland – die ook de moeder van het kind is. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen eiser en zijn gestelde vriendin. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat er voldoende invulling wordt gegeven aan de gestelde relatie met haar. Uit de stukken en wat er tijdens de zitting is verklaard blijkt dat de relatie tussen eiser en zijn gestelde vriendin een op- en neer gaande relatie is, waarin vaak conflicten zijn. Zo is er volgens eisers justitiële documentatie in 2022 sprake geweest van door eiser gepleegd huiselijk geweld en noemt eiser haar in de brief van 27 juni 2023 nog zijn ex-vriendin. In de brief van MaNaCare van 9 april 2024 wordt weliswaar bevestigd dat eiser en zijn gestelde vriendin een relatie hebben, maar worden er geen aanknopingspunten geboden om aannemelijk te achten dat voldoende invulling aan de relatie wordt gegeven om te kunnen spreken van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Ook heeft eiser foto’s overgelegd ter onderbouwing van de invulling van het gezinsleven, maar deze zijn genomen in 2021 en 2022, vóór de brief van 27 juni 2023 waarin eiser haar zijn ex-vriendin noemt. Gelet op die omstandigheden heeft de minister weinig waarde mogen toekennen aan de schriftelijke verklaringen van de gestelde vriendin die eiser heeft ingebracht om hun relatie te onderbouwen. Ook heeft de minister mee mogen nemen dat eiser en zijn gestelde vriendin niet samenwonen. Bij het beoordelen van het bestaan van gezinsleven is samenwoning namelijk wel degelijk een belangrijk, hoewel niet per definitie doorslaggevend, aspect. Verder heeft de minister het gezinsleven tussen eiser en zijn minderjarige kind – wiens belang zwaar meeweegt – meegewogen, maar dat belang niet ten onrechte onvoldoende zwaar gevonden om op te wegen tegen de andere genoemde belangen. Het kind verblijft bij de moeder, en, zoals hiervoor weergegeven, de minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat weinig invulling aan het gezinsleven met de moeder wordt gegeven en dat het gezinsleven veel ups-and-downs kent. Verder heeft de minister terecht overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er objectieve of subjectieve belemmeringen voor eiser zijn om zich met zijn kind in Bulgarije of een andere EU-lidstaat te vestigen, nu eisers kind de Nederlandse nationaliteit heeft. Hetzelfde geldt voor eisers gestelde vriendin en moeder van het kind. Tot slot is er geen sprake van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen eiser en zijn ouders, broers en zussen die ook in Nederland verblijven – wat de gemachtigde van eiser tijdens de zitting heeft erkend.
Gezinsleven en belangenafweging in de zin van artikel 8 van het EVRM
8. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen eiser en zijn gestelde vriendin, en dat hij de belangenafweging voor het beperken van het recht op respect voor gezinsleven tussen eiser en zijn minderjarige kind in het nadeel van eiser mocht laten uitvallen. De rechtbank verwijst naar wat zij onder 7.3 heeft overwogen.
Had de minister eiser in persoon moeten horen?
9. Eiser betoogt dat hij alsnog in persoon had moeten worden gehoord, nu de minister ook na eiser schriftelijk te hebben gehoord twijfel blijkt te hebben gehad over wat eiser naar voren heeft gebracht.
9.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft eiser niet aanvullend in persoon hoeven horen. Hierbij is van belang dat eiser er via zijn gemachtigde in een e-mail van 13 december 2023 uitdrukkelijk toestemming voor heeft gegeven om met een hoorbrief te worden gehoord, in plaats van een hoorzitting. Eiser was destijds ook gedetineerd. Dat het volgens eiser achteraf toch handiger was geweest om hem in persoon te horen, doet hier niet aan af. Dat is een gegeven waar eiser rekening mee had moeten houden voordat hij toestemming gaf om schriftelijk te worden gehoord. Eiser heeft ook niet concreet toegelicht waar hij tijdens een aanvullende hoorzitting meer over had willen verklaren. Bovendien heeft eisers gemachtigde tijdens de zitting verklaard dat eiser en zijn gestelde vriendin het niet aankonden om bij de zitting van de rechtbank in deze zaak aanwezig te zijn. Het is daarom maar de vraag of dat voor een hoorzitting met de minister anders was geweest.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).
2.Artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000.
3.Artikel 8 van het EVRM.
4.Dit staat in artikel 8.12, eerste lid, van het Vb 2000.
5.Dit volgt uit artikel 8.16, eerste lid, van het Vb 2000, paragraaf B10/2.8.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), en Werkinstructie (WI) 2023/3, pagina’s 30-31. Zie ook ABRvS 7 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3584 en ECLI:NL:RVS:2018:3584.