Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Aroja [6] voortvloeit dat de minister een verlengingsbesluit moet nemen wanneer de duur van de verschillende periodes van bewaring op grond van hetzelfde terugkeerbesluit bij elkaar opgeteld zes maanden bedraagt.
“De cumulatieve bewaringsduur op grond van het thans geldende terugkeerbesluit maakt dat binnen twee weken de duur van zes maanden op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw verstrijkt. Daarom is deze maatregel eveneens aangemerkt als verlenging van de bewaring met ten hoogste twaalf maanden op grond van artikel 59, zesde lid, Vw.”
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.