2.2.Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, omdat aan eiser op 18 oktober 2023 een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar is opgelegd. Die beslissingen staan in rechte vast; eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
5. De zware en lichte gronden zijn door eiser niet betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden, in samenhang bezien, de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. Er bestaat dan ook voldoende grond voor het standpunt van de minister dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven. Daarnaast is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen of medische omstandigheden van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien om een lichter middel dan een maatregel van bewaring op te leggen. Dat eiser diazepam gebruikt en sinds zijn verblijf in detentie veel stress ervaart, is daarvoor geen reden. Bovendien zijn de psychische en medische omstandigheden van eiser kenbaar gemaakt in de maatregel en voldoende bij de beoordeling betrokken. Eiser is door de minister gewezen op het feit dat in de detentie- en uitzetcentra gespecialiseerde zorg aanwezig is en dat, mocht zich onverhoopt medische of psychische problematiek voordoen, behandeling kan worden aangevraagd, gestart dan wel voortgezet. In dat verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra als gelijkwaardig kan worden aangemerkt aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De minister heeft op de tweede dag van de inbewaringstelling, namelijk op 31 maart 2026, een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Daarnaast heeft de minister voorafgaand aan de bewaring, op 27 februari 2026, de lp-aanvraag doorgezonden aan de Algerijnse autoriteiten, waarop op 12 maart 2026 en 3 april 2026 is gerappelleerd. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.
8. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdelingvan 6 mei 2024 en 15 juli 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt.De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiser te zullen verstrekken. Daarbij is van belang dat de huidige lp-aanvraag in februari is opgestart en dat de duur daarvan nog niet zo lang is dat op grond daarvan niet langer verwacht kan worden dat een lp zal worden afgegeven. Het enkele feit dat een eerder lp-traject al meer dan zes maanden geleden is opgestart, betekent bovendien niet op voorhand dat er thans geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.
Kan de maatregel ook worden aangemerkt als een verlengingsbesluit?
9. Eiser voert aan dat het verlengingsbesluit, zoals opgenomen in de maatregel van bewaring, onrechtmatig is. Aan eiser is niet aangekondigd dat een verlengingsbesluit zou worden genomen, hij is niet in de gelegenheid gesteld om met zijn advocaat op dit voornemen te reageren en hij is hierover niet nadrukkelijk gehoord. Verder stelt eiser dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van de Terugkeerrichtlijn, artikel 15, vijfde en zesde lid, voor het opleggen van een verlengingsbesluit, omdat eiser wel degelijk meewerkt en de benodigde documentatie uit Algerije niet meer kan worden verwacht.
10. De minister stelt zich primair op het standpunt dat wat in de maatregel is opgenomen onder het kopje verlengingsbesluit kan worden aangemerkt als een verlengingsbesluit en dat daartegen afzonderlijk beroep dient te worden ingesteld. Eiser heeft dit niet gedaan, waardoor dit volgens de minister buiten de omvang van dit geding valt. Subsidiair voert de minister aan dat het verlengingsbesluit voldoende en deugdelijk is gemotiveerd en dat bovendien de termijn van zes maanden in bewaringstelling nog niet is verstreken en daarmee het moment waarop een verlengingsbesluit moet worden genomen nog niet is aangebroken.
11. De rechtbank overweegt dat in artikel 59, vijfde lid, van de Vw is bepaald dat de bewaring (in beginsel) niet langer duurt dan zes maanden. In artikel 59, zesde lid, van de Vw is vervolgens bepaald dat die bewaring ten hoogste met nog eens twaalf maanden kan worden verlengd indien de uitzetting, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, op grond dat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de daartoe benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.