AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling ongegrond verklaard
De minister van Asiel en Migratie legde op 9 januari 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 vanPro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had de rechtmatigheid van de bewaring reeds beoordeeld in een eerdere uitspraak van 6 maart 2026, waarbij de maatregel tot dat moment als rechtmatig werd beschouwd.
De beoordeling in deze zaak richtte zich op de periode na 2 maart 2026, het moment van het sluiten van het eerdere onderzoek. Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend had gehandeld, met name omdat een gepland vertrekgesprek op 12 maart 2026 niet had plaatsgevonden en de minister na 19 februari 2026 geen verdere stappen richting de Marokkaanse autoriteiten had ondernomen.
De rechtbank oordeelde dat de minister wel degelijk voldoende voortvarend had gehandeld. De minister had op 19 februari 2026 een rappel gedaan bij de Marokkaanse autoriteiten en een vertrekgesprek gepland, dat voortijdig werd afgebroken vanwege medische klachten van eiser. De bewaring werd op 23 maart 2026 opgeheven vanwege strafrechtelijke detentie. Er was geen aanleiding om te concluderen dat de maatregel onrechtmatig was geweest.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18324
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. A. Jhingoer),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
1. De minister heeft op 9 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst bij uitspraak van 6 maart 2026. [1]
1.3.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.4.
De minister heeft op 23 maart 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
2. De rechtbank heeft het vooronderzoek op 8 april 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek op zitting achterwege blijft.
Overwegingen
3. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 vanPro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
4. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 6 maart 2026 (in de zaak NL26.10109) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, dus sinds 2 maart 2026.
Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
5. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Het vertrekgesprek van 12 maart 2026 heeft niet plaatsgevonden, waardoor de laatste vertrekhandeling van de minister op 19 februari 2026 bestond uit een rappel aan de autoriteiten. Daarna is niets meer richting de Marokkaanse autoriteiten ondernomen.
5.1.
In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend werkte aan de verwijdering uit Nederland. De minister heeft op 19 februari 2026 gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Daarnaast heeft de minister op 12 maart 2026 een vertrekgesprek gepland met eiser. Dit vertrekgesprek is kort na aanvang echter beëindigd omdat eiser medische klachten had. De regievoerder heeft opgemerkt dat eisers wang dik was. Eiser heeft aangegeven dat zijn kaak gebroken was en zijn kaak tijdens het gesprek ontstoken was. Uit het verslag van het vertrekgesprek valt af te leiden dat het in de bedoeling lag om een week later te kijken over een gesprek met eiser kon worden gehouden. Op 23 maart 2026 is vervolgens de bewaring opgeheven met als reden een strafrechtelijke detentie. De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande niet valt af te leiden dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig zou zijn geweest. Dat het recent gehouden vertrekgesprek voortijdig is afgebroken, is daarvoor onvoldoende. De minister dus heeft voldoende voortvarend gehandeld. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest. [2]
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr.B. Göbel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
2.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar), HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X) en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.