Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9135

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
NL26.12698 en NL26.12699
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DvoArt. 8:54 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen

Eiser, met de Ugandese nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Spanje volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.

Eiser vertrok met onbekende bestemming, maar hield na die melding nog contact met zijn gemachtigde, waardoor de rechtbank het procesbelang bevestigde. Eiser voerde aan dat bijzondere omstandigheden in Spanje, zoals racisme, seksueel misbruik en gedwongen drugsgebruik, hem verhinderden bescherming te zoeken in Spanje en dat de minister het besluit onvoldoende had gemotiveerd.

De rechtbank oordeelde dat de minister zich voldoende had gemotiveerd en dat eiser geen bijzondere omstandigheden had aangetoond die een overdracht aan Spanje onevenredig zouden maken. Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.12698 en NL26.12699
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 6 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft eiser nog belang bij de beoordeling van zijn beroep?
2. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser nog belang heeft bij de behandeling van zijn ingestelde beroep. Op 30 maart 2026 heeft verweerder bericht dat eiser op 26 maart 2026 met onbekende bestemming is vertrokken (dit is een zogenoemde MOB-melding).
2.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [1] volgt dat, als een vreemdeling zoals eiser met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van moet worden uitgegaan dat hij geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. Dit is anders als eiser na de MOB-melding nog contact heeft onderhouden met zijn gemachtigde. [2]
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van procesbelang. Op 1 april 2026 heeft eisers gemachtigde kenbaar gemaakt dat hij na het bericht van verweerder nog contact heeft gehad met eiser.
Geen zitting
De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [3] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Ugandese nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1989 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en is van oordeel dat dit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Eiser verzoekt hetgeen hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Eiser stelt dat verweerder op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening zijn asielaanvraag aan zich dient te trekken. Eiser stelt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, namelijk dat hij in Spanje te maken heeft gekregen met racisme, seksueel misbruik en gedwongen drugsgebruik. Tot slot stelt eiser dat hij zich in Spanje in een moeilijke situatie bevond, vanwege de taalbarrière en zijn afhankelijkheid van de reisagent. Hierdoor durfde eiser zich niet te wenden tot de Spaanse autoriteiten.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder in de procedure naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser geen zodanig bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd dat deze maken dat overdracht aan Spanje van een onevenredige hardheid getuigt. Daarbij heeft verweerder onder meer terecht betrokken dat eiser geen bescherming in Spanje heeft gezocht, terwijl hij dit – ondanks de taalbarrière en gestelde afhankelijkheid van de reisagent – wel had kunnen doen. Het bestreden besluit is voldoende zorgvuldig tot stand gekomen en voldoende gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
8. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [4] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2.Zie uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
3.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.