ECLI:NL:RBDHA:2026:9137
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
Eiser, met Turkse nationaliteit, diende een asielaanvraag in die door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling werd genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Eiser betwist dit en voert aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet mag worden toegepast vanwege overbelasting van de Duitse asielketen en beperkte toegang tot kosteloze rechtsbijstand, wat strijdig zou zijn met artikelen 6 en 13 EVRM.
De rechtbank oordeelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel nog steeds geldt en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 van Pro het Handvest. Ook is niet gebleken dat het Duitse systeem van rechtsbijstand in strijd is met het EVRM of de Procedurerichtlijn.
Verder heeft eiser geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die toepassing van de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 Dublinverordening Pro rechtvaardigen. Het beroep wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.