Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9137

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
NL26.13895 en NL26.13896
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 13 EVRMArt. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 17 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

Eiser, met Turkse nationaliteit, diende een asielaanvraag in die door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling werd genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Eiser betwist dit en voert aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet mag worden toegepast vanwege overbelasting van de Duitse asielketen en beperkte toegang tot kosteloze rechtsbijstand, wat strijdig zou zijn met artikelen 6 en 13 EVRM.

De rechtbank oordeelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel nog steeds geldt en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 van Pro het Handvest. Ook is niet gebleken dat het Duitse systeem van rechtsbijstand in strijd is met het EVRM of de Procedurerichtlijn.

Verder heeft eiser geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die toepassing van de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 Dublinverordening Pro rechtvaardigen. Het beroep wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.13895 en NL26.13896
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 12 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Turkse nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1999 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en is van oordeel dat dit onvoldoende is gemotiveerd. Eiser stelt dat ten aanzien van Duitsland niet mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser vreest dat hij na overdracht aan Duitsland geen opvang zal krijgen, vanwege de overbelasting van de asielketen in Duitsland. Daarnaast stelt eiser dat er een beperkte toegang tot de kosteloze rechtsbijstand bestaat, waardoor hij niet in staat zal zijn om in Duitsland te klagen. Volgens eiser is de overdracht in strijd met onder meer de artikelen 6 en 13 van het EVRM. [2] Tot slot stelt eiser dat verweerder gelet op zijn persoonlijke omstandigheden gebruik had moeten maken van zijn discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van Duitsland nog altijd mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [3] Dit betekent dat verweerder er in beginsel vanuit mag gaan dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Duitsland niet in strijd zal zijn met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling. Dit heeft eiser niet aannemelijk gemaakt.
5.1.
Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het systeem van rechtsbijstand in Duitsland voor Dublinclaimanten in strijd is met de artikelen 6 en 13 van het EVRM en de Procedurerichtlijn. Bij problemen in Duitsland kan eiser daarover eventueel een klacht indienen bij de Duitse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem niet mogelijk is of dat de Duitse autoriteiten hem niet zouden kunnen of willen helpen.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in wat eiser heeft aangevoerd ook geen reden hoeven zien om zijn asielverzoek in behandeling te nemen op grond van de discretionaire bevoegdheid die volgt uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser geen zodanig bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd dat deze maken dat zijn overdracht aan Duitsland van een onevenredige hardheid getuigt. Het bestreden besluit is ook in zoverre voldoende gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
8. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [4] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588.
4.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.