Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9138

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
NL26.12669 en NL26.12670
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 8:54 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiseres, van Syrische nationaliteit, verzet zich tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om haar asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening.

Zij voert aan dat het besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd is, wijst op haar persoonlijke omstandigheden zoals familie in Nederland, psychische belasting door een miskraam en vreest indirect refoulement bij overdracht aan Duitsland. Tevens beroept zij zich op artikel 16 en Pro 17 van de Dublinverordening en het arrest C.K.

De rechtbank oordeelt dat uit de aangevoerde omstandigheden geen afhankelijkheid in de zin van artikel 16 blijkt Pro en dat de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 niet Pro tot toepassing komt. Ook het beroep op het arrest C.K. faalt wegens gebrek aan objectief bewijs van ernstige gezondheidsschade.

Daarom is het beroep kennelijk ongegrond en wordt het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.12669 en NL26.12670
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiseres], [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiseres)

(gemachtigde: mr. H. Yousef),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 5 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres stelt de Syrische nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 2004 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en is van oordeel dat dit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Eiseres verzoekt hetgeen zij in de zienswijze naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Eiseres stelt dat verweerder haar asielverzoek op grond van artikel 16 en Pro 17 van de Dublinverordening in behandeling had moeten nemen. Eiseres wijst op de eerdere afwijzing in Duitsland, haar vrees voor indirect refoulement, haar partner en zus die in Nederland verblijven en het ontbreken van een sociaal netwerk in Duitsland. Ook geeft zij aan dat de familie in Duitsland haar relatie niet accepteert. Deze omstandigheden maken volgens haar dat overdracht aan Duitsland onevenredig hard uitpakt. Daarnaast stelt eiseres psychisch zwaar te zijn belast door een miskraam. In dit kader verwijst eiseres naar het arrest Jawo en het arrest C.K. [2] Tot slot heeft verweerder volgens eiseres onvoldoende rekening gehouden met haar persoonlijke omstandigheden en had verweerder nader onderzoek moeten verrichten bij Duitsland om er zeker van te zijn dat sprake is van een nog lopend asielverzoek.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Herhaald en ingelast
5. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiseres eerder in de procedure naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiseres van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel en indirect refoulement
6. Ten aanzien van eiseres stelling dat zij na overdracht aan Duitsland naar Syrië zal worden uitgezet, overweegt de rechtbank dat verweerder mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland. Dit is bevestigd in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. [3] In wat eiseres heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor een ander oordeel.
Artikel 16 van Pro de Dublinverordening
7. Van afhankelijkheid in de zin van artikel 16 van Pro de Dublinverordening is sprake als het gaat om afhankelijkheid van hulp tussen de vreemdeling en een kind, broer of zus, of ouder dat of die wettig verblijft in een van de lidstaten. Die afhankelijkheid moet bovendien voortkomen uit een zwangerschap, een pasgeboren kind, een ernstige ziekte, een zware handicap of een hoge leeftijd. Ook moeten er al in het land van herkomst familiebanden hebben bestaan en moet het familielid of de vreemdeling in staat zijn voor de afhankelijke persoon te zorgen. Ten slotte moeten de betrokkenen schriftelijk hebben verklaard dat zij dit wensen.
7.1.
Verweerder heeft zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat uit wat eiseres heeft aangevoerd niet blijkt van afhankelijkheid in voornoemde zin. De verwijzing naar een rapport van een verloskundige is hiertoe onvoldoende.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
8. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening mag verweerder asielaanvragen onverplicht aan zich trekken. Een dergelijke discretionaire bevoegdheid toetst de rechtbank terughoudend. Verweerder maakt van deze bevoegdheid onder meer gebruik in het geval van bijzondere, individuele omstandigheden die getuigen van onevenredige hardheid.
8.1.
Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden geen aanleiding vormen om haar asielaanvraag met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken. Verweerder heeft zich daarbij op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat de Dublinverordening niet is bedoeld als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij een partner of gezinslid in Nederland kan worden verkregen.
Arrest C.K.
9. Uit het arrest C.K. blijkt dat overdracht van een vreemdeling achterwege dient te blijven als de overdracht tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zou leiden. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. Eiseres heeft dit niet gedaan en heeft geen medische stukken of ander bewijs overgelegd waaruit blijkt van zodanige omstandigheden. Hierdoor slaagt het beroep op het arrest C.K. niet.

Conclusie en gevolgen

10. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
11. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [4] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
12. Eiseres krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Hof van Justitie 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127 (C.K./Slovenië).
3.Zie de uitspraken van de Afdeling van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1902 en 14 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588.
4.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.