ECLI:NL:RBDHA:2026:9169
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken hechte persoonlijke banden en zelfstandigheid jongvolwassene
De zaak betreft een beroep tegen de afwijzing van een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf door de minister van Asiel en Migratie. Eisers, familieleden van de referent, betwisten de afwijzing en voeren meerdere beroepsgronden aan, waaronder het niet naleven van het jongvolwassenenbeleid en het ontbreken van een juiste belangenafweging.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft vastgesteld dat de referent zijn leven in Nederland zelfstandig vorm heeft gegeven, onder meer door het volgen van een opleiding, het verrichten van vrijwilligerswerk en het ontvangen van een uitkering. Hierdoor voldoet de referent niet aan de cumulatieve voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid. Daarnaast is onvoldoende gebleken van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen de referent en zijn moeder of broers.
De rechtbank gaat ook in op de stellingen over hechte persoonlijke banden en concludeert dat samenwoning een indicatie is, maar niet voldoende bewijs voor het bestaan van dergelijke banden. De minister heeft de feiten en omstandigheden zorgvuldig gewogen en gemotiveerd. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard, en eisers krijgen geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag machtiging voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.