ECLI:NL:RBDHA:2026:9174
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij gegrondverklaring beroep vreemdelingenrecht
De voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag heeft op 15 april 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak betreffende een verzoek om een voorlopige voorziening in het vreemdelingenrecht. Verzoeker had gevraagd om gedurende de behandeling van zijn beroep tegen de afwijzing van zijn aanvraag niet te worden uitgezet.
De zitting vond plaats op 31 maart 2026, waarbij zowel verzoeker als de gemachtigden van beide partijen aanwezig waren. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen omdat de rechtbank het beroep van verzoeker inmiddels gegrond heeft verklaard, waardoor een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is.
Daarnaast is de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 934,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open, waardoor de beslissing definitief is.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep gegrond is verklaard; de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.