Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9192

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
NL24.47037 en NL24.15473
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 VwArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag uitstel van vertrek op medische gronden bevestigd

Eiseres, een Oegandese vrouw, heeft meerdere asielaanvragen ingediend die grotendeels zijn afgewezen of niet-ontvankelijk verklaard. Na een eerdere procedure is haar hoger beroep ongegrond verklaard. Vervolgens vroeg zij op 14 november 2023 uitstel van vertrek aan op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, vanwege haar medische situatie.

Verweerder verleende aanvankelijk tijdelijk uitstel tot het BMA-advies beschikbaar was. Op basis van het advies van 27 februari 2024 wees verweerder de aanvraag definitief af, omdat uit het advies bleek dat eiseres medisch in staat is te reizen en er geen reëel risico is op een medische noodsituatie binnen drie tot zes maanden. Eiseres maakte bezwaar, dat werd afgewezen.

De rechtbank oordeelt dat het BMA-advies een deskundigenadvies is dat zorgvuldig tot stand is gekomen en dat eiseres geen concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd om aan de juistheid of volledigheid ervan te twijfelen. Haar stelling over de urgentie van de behandeling is niet met medische stukken onderbouwd. Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag om uitstel van vertrek wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.47037 (beroep) en NL24.15473 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Marks).

Samenvatting

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) de afwijzing van de aanvraag van eiseres om uitstel van vertrek, in de zin van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiseres is geboren op [geboortedag] 1989 en heeft de Oegandese nationaliteit.
2.2.
Eiseres heeft vier asielaanvragen ingediend. De eerste twee aanvragen zijn afgewezen, met een besluit van 15 januari 2015 en een besluit van 8 januari 2018. Verweerder heeft in die zaken ook een terugkeerbesluit opgelegd. Verweerder heeft de derde en vierde asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard, met een besluit van 13 maart 2019 en een besluit van 18 april 2023. De vierde asielaanvraag is in beroep beoordeeld door de rechtbank. De rechtbank heeft in een uitspraak van 20 juni 2023 het beroep gegrond verklaard, maar de rechtsgevolgen in stand gelaten. [1] Eiseres heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft met een uitspraak van 12 juli 2023 het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. [2]
2.3.
Eiseres heeft op 14 november 2023 een aanvraag ingediend om uitstel van vertrek in de zin van artikel 64 van Pro de Vw.
2.4.
Met een besluit van 26 februari 2024 heeft verweerder eiseres voorlopig uitstel van vertrek verleend tot 26 augustus 2024, omdat het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) nog niet gereed was. Op 27 februari 2024 heeft het BMA vervolgens een advies uitgebracht.
2.5.
Met het primaire besluit van 5 april 2024 heeft verweerder de aanvraag van eiseres op toepassing van artikel 64 van Pro de Vw afgewezen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit primaire besluit.
2.6.
Met het bestreden besluit van 28 oktober 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het BMA-advies blijkt dat eiseres wel in staat is om te reizen. Verder is het op basis van de medische informatie niet de verwachting dat het uitblijven van behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie binnen drie tot zes maanden. Verweerder ziet ook niet dat er een risicovolle situatie ontstaat bij het uitblijven van behandeling. Eiseres heeft deze stelling op geen enkele wijze met stukken onderbouwd. Verweerder heeft afgezien van het houden van een hoorzitting, omdat volgens verweerder redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was over de conclusie.
2.7.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningen-rechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Ook was aanwezig T. Kibuuka als tolk in de Oegandese taal.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiseres om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw terecht heeft afgewezen.
Toetsingskader
4.1.
Bij een aanvraag voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw toetst verweerder of de aanvrager medisch gezien in staat is om te reizen en of er een reëel risico bestaat op schending van artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) om medische redenen. Daarvan is volgens paragraaf A3/7.1.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) sprake indien uit het
BMA-advies blijkt dat het achterwege blijven van de medische behandeling naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot een medische noodsituatie en de noodzakelijke medische behandeling in het land van herkomst niet beschikbaar is, of, als die medische behandeling wel beschikbaar is, maar is gebleken dat deze aantoonbaar niet toegankelijk is.
4.2.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat een BMA-advies een deskundigenadvies is. [3] Verweerder heeft een vergewisplicht als hij een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt. Dit betekent dat verweerder moet nagaan of het advies zorgvuldig tot stand is gekomen en of de inhoud van het advies inzichtelijk en concludent is. Als aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij zijn beoordeling in beginsel van de juistheid van dit advies uitgaan. Dit is anders als er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies. Het is aan de vreemdeling om aan te tonen dat het advies niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen.
Concrete aanknopingspunten voor twijfel?
5.1.
Eiseres voert aan dat zij al geruime tijd wordt behandeld voor haar continue suïcidale neigingen. Juist door de effectiviteit van de behandeling heeft er nog geen suïcide plaatsgevonden. Eiseres wijst op de dringende urgentie van de behandeling en van de continuering daarvan.
5.2.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de beroepsgronden summier zijn. In het beroepschrift heeft de gemachtigde van eiseres aangegeven dat de gronden in een later stadium zouden worden aangevuld, maar de rechtbank heeft geen aanvulling van de gronden ontvangen. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiseres desgevraagd aangegeven dat er geen informatie van de behandelend sector beschikbaar is.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder het BMA-advies van 27 februari 2024 terecht aan de besluitvorming ten grondslag heeft gelegd. In het BMA-advies is betrokken dat bij eiseres sprake is van chronische suïcidaliteit in de vorm van suïcidegedachten. De
BMA-arts heeft geconcludeerd dat hij geen medische noodsituatie verwacht, omdat er regelmatig periodes met suïcidale gedachten zijn, maar zonder uitgewerkt plan, noch pogingen. Ook is er geen sprake geweest van klinisch psychiatrische opnames of gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis. [4] Eiseres heeft geen concrete aanknopingspunten aangevoerd om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van het BMA-advies. Zij heeft wel gesteld dat door de effectiviteit van de behandeling er nog geen suïcide heeft plaatsgevonden, maar zij heeft dit standpunt op geen enkele wijze met medische stukken onderbouwd. De rechtbank kan niet uitgaan van de enkele stelling van eiseres, nu daar een deskundigenadvies van verweerder tegenover staat.

Conclusie en gevolgen

6.1.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft.
6.2.
Omdat de rechtbank in deze uitspraak op het beroep beslist, is het treffen van een voorlopige voorziening niet meer nodig. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen.
6.3.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL24.47037:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL24.15473:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.G.A. Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.NL23.12427.
2.202304056/1/V2.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:826.
4.In het kader van de Wet verplichte ggz of de Wet dwang en zorg.